Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tiging te verleenen. — Kantong. Roer- j mond 13 Februari 1908; W. v. N. R. 1999. (Zie nos. 396 en 397 Deel I.)

106. Art. 169 B. W. bedoelt met tegenstrijdig belang niet alleen geldelijk belang. — Rechtb. Amsterdam 29 April 1909; W. v. N. R. 2071.

107. Wanneer eene gehuwde vrouw ex art. 169 B. W. door den Kantonrechter gemachtigd is, om een eisch in rechten in te stellen, dan kan later in de gevolgde procedure niet met vrucht worden beweerd, dat de Kantonrechter die machtiging niet had behooren te verleenen en dus de vrouw geacht moet worden zonder die machtiging in rechten te zijn verschenen. — Rechtb. Haarlem 25 .Januari 1910; W, 9122.

108. Tot het verleenen van de in dit artikel bedoelde machtiging is uitsluitend bevoegd de Kantonrechter van de j

woonplaats van den man, ook al is door de Rechtbank aan de vrouw verlof verleend om tijdens een echtscheidingsprocedure elders verblijf te houden; art. 267 B. W. en art. 245 der Gemeentewet gaan | geheel buiten art. 169 B. W. om.

De rechter moet volgens eigen oordeel beslissen of een gehuwde vrouw, die als eischeres optreedt, behoorlijk is gemachtigd; hij moet daartoe onderzoeken of de machtiging is verleend door den bij de wet aangewezen rechter. Hij moet

dit zelfs ambtshalve onderzoeken daar dit de openbare orde raakt. — H. R. 15 November 1912, concl. conf.; W. 9425; W. v. N. R. 2261.

109. Op de machtiging door eenen onbevoegden Kantonrechter krachtens art. 169 B. W. aan eene gehuwde vrouw verleend, mag de rechter, voor wien de vrouw, aldus gemachtigd, in rechten verschijnt, geen acht slaan. De vrouw

28

moet dus niet-ontvankelijk in hare vordering worden verklaard. — Hof Amsterdam 17 November 1911; W. 9322; W. v. N. R. 2223; W. v. Not. 357. (Zie no. 389 Deel I.)

110. Indien de vrouw wegens tegenstrijdig belang met den man zich tot het bekomen van machtiging tot het verrichten eener handeling tot den Kantonrechter wendt, behoeft de man op dat request niet te worden gehoord. — Kantong. Enschedé 29 Augustus 1912; W. 9381.

Art. 174.

111. C. Mostart. Het huwelijksgoederenrecht in het Duitsche Burgerlijk Wetboek. - W.v. Not. 263, 264 en 266-271.

112. Mr. A. Grünebaum. Wettelijk huwelijksgoederenrecht. — W. v. N. R. 2087.

113. G. Vlug. De huwelijksgemeenschap en de maat- of vennootschap. — W. v. Not. 138.

114. Uit de enkele bewering in de dagvaarding, dat de gedaagde gehuwd was, mag nog niet worden afgeleid, dat werd gesteld, dat de gedaagde in gemeenschap van goederen was gehuwd. — Kan tong. Schiedam 25 April 1911 ; R. B. A. III, 20/21.

Art. 175.

115. Indien goederen aan een der echtgenooten gemaakt of geschonken zijn onder het uitdrukkelijk beding, dat ze buiten de gemeenschap zullen blijven, blijven ook de daarvoor door belegging of wederbelegging in de plaats tredende waarden buiten die gemeenschap. — Hof Arnhem 15 April 1908; W. 8796;

Sluiten