Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

concl. conf.; W. 9119; W. v. N. R. 2162; W. v. Not. 309; N. R. CCXVI, 327.

123. Uit art. 179 B. W. volgt niet, dat de in gemeenschap van goederen gehuwde vrouw niet met bijstand van haren echtgenoot rechtshandelingen zou kunnen verrichten of in rechten optreden. — Kantong. Amsterdam 18 Februari 1913; W. v. N. R. 2266.

124. De man is niet verplicht om rekening en verantwoording te doen van zijn beheer der goederen van de huwelijksgemeenschap. — Hof Amsterdam 15 October 1909; W. 8997.

125. De man zelf is bevoegd om beroep te doen op de nietigheid eener door hem in strijd met het voorschrift van art. 179, al. 4 B. W. gedane schenking. — Hof 's-Gravenhage 24 April 1911; W. 9199; W. v. N. R. 2187.

126. Het woord „vruchtgebruik" in s art. 179, al. 4 B. W. heeft geen andere beteekenis dan de wet elders daaraan

toekent, n.1. het zakelijk recht omschreven in art. 803 B. W.; daaronder is niet te verstaan het voor zich bedingen van het genot der vruchten. — Rechtb. 's-Gravenhage 12 October 1909; W. 8929; W. v. N. R. 2090; W. v. Not. 286 (verniet, bij volgend arrest).

127. Onder „vruchtgebruik" in art. 179, al. 4 B. W. is mede te verstaan het „vruchtgenot" eener zaak. — Hof 's-Gravenhage 24 April 1911; W. 9199; W. v. N. R. 2187.

128. Het door de geautoriseerde vrouw verrichten van handelingen, die rechten of verplichtingen voor de gemeenschap opleveren, is niet onvereenigbaar met het régime der huwelijksgemeenschap.

De in gemeenschap van goederen ge¬

huwde geautoriseerde vrouw kan ten aanzien van door haar met machtiging van haren man verrichte handelingen, welke de gemeenschap betreffen, in rechten optreden, mits zij dit niet doet, optredende voor of namens de gemeenschap of stellende op te treden tot uitoefening van rechten van de gemeenschap als zoodanig, hetgeen volgens art 179 B. W. slechts de man kan doen, doch voor haar zelve krachtens hare relatie met de tegenpartij en als handhaafster harer eigen rechten, al zijn die met de gemeenschap ten nauwste verbonden. — Kantong. Amsterdam 18 Februari 1913; W. 7435.

Art. 182.

129. Mr. H. J. Tasman. De gecontinueerde gemeenschap in verband met 2e huwelijksgemeenschap. — W. v. Not.

140.

H. J. van Doorn. Hetzelfde onderwerp. — W. v. Not. 137.

130. De voortgezette gemeenschap is eene werkelijke voortzetting der bestaande gemeenschap, zoodat de goederen door de deelgenooten dier gemeenschap verkregen, onmiddellijk daarin vallen en direct gemeenschappelijk eigendom worden. Derhalve wordt hetgeen door den langstlevenden echtgenoot uit eene tweede huwelijksgemeenschap bij hare ontbinding wordt verkregen, in mede-eigendom bezeten met een voorkind, dat met dien langstlevenden echtgenoot tot eene voortgezette gemeenschap gerechtigd is. — Rechtb. Maastricht 26 Mei 1910; W. v. N. R. 2123. (Zie nos. 494 en 495 Deel I.)

Art. 185.

131. Mr. Th. Borret. Aansprakelijkheid voor de schulden der gemeenschap na hare ontbinding. — W. v. N. R. 2180—2183.

Sluiten