Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 207.

152. Na de overschrijving zijn de bepalingen der huwelijksvoorwaarden ook tegenover derden van kracht en zijn — bij uitsluiting der genieenschap — de goederen welke de vrouw na dien verkrijgt, haar persoonlijk eigendom en vallen deze ook niet ten aanzien van derden in de gemeenschap. Uit dit laatste volgt, dat een vonnis tegen den man voor eene schuld der gemeenschap niet op de goederen der vrouw mag worden ten uitvoer gelegd. — H. R. 30 April 1909, concl. conf.; W. 8867; P. v. J. 1909, 857; W. v. N. R. 2076; W. v. Not. 211; N. R. CCXI, 453 (met bevest. Rechtb. 's-Hertogenbosch 1 Februari 1907; P. v. J. 1907, 623 (no. 584 Deel I) en Hof aldaar 7 April 1908; W. 8802; W. v. N. R. 2060; W. v. Not. 184).

153. Indien bij een huwelijk in de Koloniën de huwelijksvoorwaarden overeenkomstig de betreffende voorschriften (art. 152 Indisch B. W.) in de daartoe bestemde registers zijn ingeschreven, dan behouden zij hunne kracht tegenover derden, ook nadat de echtelieden zich hier te lande hebben gevestigd, zonder hunne huwelijksakte en bijgevolg ook hunne huwelijksvoorwaarden hier te lande te doen inschrijven. — Hof Arnhem 2 Januari 1912; W. 9283; W. v. Not. 366.

Art. 210.

154. De gemeenschap van winst en verlies is niet uitsluitend eene regeling van liquidatie tusschen partijen na ontbinding der gemeenschap, maar een vorm van huwelijksgoederenrecht, die in den regel leidt tot de vorming van een gemeenschappelijken boedel uit de samenvoeging van afzonderlijke vermogensbestanddeelen der echtgenooten, waartoe

o. a. behooren die baten der echtgenooten, die niet naar den eisch der wet afzonderlijk zijn belegd. — Hof Leeuwarden 20 December 1911; W. 9332; W. v. N. R. 359.

Art. 214.

155. Art. 214 B. W. is uitsluitend van toepassing bij de gemeenschap van winst en verlies, en niet bij die van vruchten en inkomsten. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 24 Juni 1910; W. 9094; W. v. N. R. 2146. Naar aanleiding daarvan : Levenkamp. Art. 214 B. W. — W. 9101.

Art. 210.

156. Mr. A. J. B. Rijke. Art. 216 B. W. en art. 219 Ontwerp. — W. v. N. R. 960; art. 219 Ontwerp B. W. — W. v. N. R. 989 en 997.

Art. 216 B. W. — W. v. N. R. 1418 (naar aanleiding eener rechtsvraag van K. V.).

Art. 216 en de praktijk. — W. v. N. R. 1440 (naar aanleiding eener rechtsvraag van X.). (S. betoogt, dat kosten van verbetering van persoonlijk goed van een der echtgenooten, betaald met gemeenschapsgeld, door dien echtgenoot aan de gemeenschap moeten worden vergoed, doch niet verder dan ten beloope der waardevermeerdering.)

Art. 220.

157. Art. 220 wil, dat uitdrukkelijk de aangebrachte goederen worden opgegeven bij de huwelijksvoorwaarden zelve of bij een daaraan gevoegden staat; deze bepaling verbiedt door eene waardeering dier goederen de specifieke vermelding er van te vervangen, te dien effecte, dat in plaats der goederen, die waarde bij ontbinding van het huwelijk gevraagd zou kunnen worden. — Hof

Sluiten