Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 264, 4°.

183. Met mishandelingen in art. 264, 4°. B. W. zijn alleen bedoeld opzettelijke mishandelingen, dus niet dezulke, die den dader wegens krankzinnigheid niet kunnen worden toegerekend. — Hof

Amsterdam 27 November 1908; W. 8828.

184. De wet, die in art. 264,4°. B. W. mishandeling, als waarvan hier sprake, onder de gronden voor echtscheiding opneemt, gaat uit van de veronderstelling, dat bij den dader bestaat schuldige niet-nakoming van de huwelijksplichten. — Hof Amsterdam 4 April 1913; W. 9531.

Art. 265.

185. Art 265 Burgerlijk Wetboek j°. art. 241 Wetb. van Strafrecht — Gemst. 3031.

Art. 266.

186. Iemand, die zelf stelt, dat hij zijne echtgenoote naar de ouderlijke woning heeft teruggebracht, omdat zij ziekelijk was en hij niet in staat was haar te verzorgen en zelf verklaart daartoe nog niet in staat te zijn, kan geene echtscheiding vorderen op grond van kwaadwillige verlating. — Pres. Bes. Heerenveen 16 Mei 1906; W. 8684.

187. De volharding des mans in de weigering om tot zijne echtgenoote terug te keeren kan slechts blijken uit zijne weigering om, hetzij terug te keeren in de gemeenschappelijke woning, zoo de vrouw daar na zijn vertrek is blijven wonen, hetzij zijne vrouw in eene nieuwe door hem gekozen woning te ontvangen. Voor zoodanige volharding kan niet gelden de weigering des mans om te komen in de na zijn vertrek uit de echtelijke

woning door zijne vrouw gekozen nieuwe woning. — Rechtb. Amsterdam 6 Maart 1908; W. 8830.

188. Wanneer eene vrouw, na in een ziekenhuis te zijn verpleegd, niet in de echtelijke woning terugkeert en in die houding zonder wettige reden volhardt, ook na gesommeerd te zijn om in de echtelijke woning terug te keeren, dan leveren die feiten voldoenden grond op voor eene vordering tot echtscheiding op grond van kwaadwillige verlating. Immers blijkens de bewoordingen van art. 266 B. W. moet het aanwezig zijn van kwaadwillige verlating niet alleen worden aangenomen, wanneer de verlating van den aanvang zonder wettige oorzaak was, maar evenzeer wanneer zij aanvankelijk eene wettige oorzaak had, maar door haar voortduren na het ophouden van die oorzaak in een kwaadwillige is ontaard. — Hof Amsterdam 27 October 1910; W. 9159.

189. Ingeval de regeling der competentie van art. 266 B. W. niet kan worden toegepast, doordat de echtelieden ten tijde der verlating geene gemeene woonplaats hier te lande hadden, moet

de algemeene regeling der competentie voor vorderingen tot echtscheiding, neergelegd in art. 262 B. W., worden toegepast. — Hof 's-Gravenhage 26 Juni 1912; W. 9393; W. v.'Not. 399.

190. Eene vordering tot echtscheiding, gegrond op kwaadwillige verlating, moet

worden ingesteld bij de Rechtbank der woonplaats van den man, wanneer de echtgenooten nimmer eene gemeene woonplaats hebben gehad. — H. R. 8 November 1912, concl. conf.; WT. 9420; Hof Amsterdam 6 Maart 1911; W. 9379. (Zie no. 817 Deel I.)

191. Mr. Ph. van der Meij. Een

Sluiten