Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedurende het geding is toegestaan, dan kan de Rechtbank in den loop van het geding niet kennisnemen van eene vordering der vrouw van dezelfde strekking, ook al is de beschikking des Presidents bij incidenteel vonnis der Rechtbank opgeheven. — Rechtb. Amsterdam 28 Mei 1909; W. 9184.

198. De vrouw, tot echtscheiding procedeerende, kan voor den duur van het geding geen levensonderhoud voor haar kind, van den man, vader van het kind, vorderen. — Rechtb. Amsterdam 28 Mei 1909; W. 9184.

199. Het voorschrift van art 268, al. 2 B. W. ziet alleen op het geval, dat de vrouw de haar door de Rechtbank aangewezen woning zonder verlof van den rechter verlaat. Het is dus niet toepasselijk, wanneer de vrouw zonder gezegd verlof de haar door den President der Rechtbank aangewezen woning verlaat. — H. R. 23 December 1910, concl. conf.; W. 9115.

In denzelfden zin Rechtb. Amsterdam 10 Mei 1912; W. 9472. (Zie nos. 835 — 839 Deel I.)

200. In art. 268, al. 2 B. W. is met „rechter'' bedoeld „de Rechtbank". — Hof 's-Gravenhage 18 April 1910; W. 9049; P. v. J. 1910, 997.

Art. 269.

201. De vorderingen, bedoeld in art. 269 B. W. kunnen ook rechtstreeks bij dagvaarding worden aangebracht. — Hof 's-Gravenhage 7 Juni 1909; W. 8899.

202. Hooger beroep is toegelaten tegen de beschikking, waarbij de Rechtbank zich onbevoegd achtte volgens art. 269 B. W. eene beslissing te geven.

Nu de Rechtbank de hoofdgedingen

tot echtscheiding had afgedaan, heeft zij zich terecht niet meer bevoegd geoordeeld volgens art. 269 B. W. eene beslissing te geven. — Hof Amsterdam 11 Juli 1913; W. 9530.

Art. 271.

203. Een beroep op verzoening, als bedoeld in art. 271 B. W. moet, wil het kunnen opgaan, worden gestaafd door een beroep op een concreet feit, waaruit van die verzoening blijkt; als zoodanig kan niet gelden het beroep enkel op de geboorte van nog twee kinderen uit der partijen huwelijk, sedert zeker feit zou hebben plaats gehad. — Rechtb. Amsterdam 18 December 1909; W. 9123.

"201. Verzoening in den zin van art.

271 B. W. beteekent, dat men de door het begane feit (overspel des mans) gestoorde betrekking tusschen de echtgenooten weer wil herstellen en verder weer wil samenleven, alsof dit feit niet ware geschied. Zoodanige verzoening kan niet worden aangenomen op grond van het feit, dat de vrouw, die, gelijk zij verplicht was, nadat het overspel haars mans te harer kennis kwam, nog eenige dagen in de echtelijke woning bleet vertoeven, gedurende dien tijd zelfs meermalen, wellicht op haar verzoek, vleeschelijke gemeenschap met haren man had. — Hof 's-Gravenhage 30 Juni 1910; W. 9115.

205. De bereidverklaring tot samenwoning doet slechts dan de vordering tot echtscheiding op grond van kwaadwillige verlating vervallen, wanneer uit feiten kan worden afgeleid, dat zij ernstig gemeend is. — Rechtb. Tiel 15 December 1911; W. 9386.

J 206. Door verzoening, hangende een

Sluiten