Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

260. Het herhaaldelijk door den man zwaar beschonken tehuis komen en alsdan razen, vloeken en tieren tegen zijne vrouw is zeer zeker als buitensporigheid jegens de vrouw aan te merken. -— Hof Leeuwarden 27 Januari 1909; W. 8842. (Zie nos. 923—931 Deel 1.)

261. Het enkele feit, dat een man zich gewoonlijk na afloop van zijn kantoortijd bedrinkt en dan den verderen avond dronken is, levert geen grond op voor scheiding van tafel en bed; daarenboven dient vast te staan, dat de vrouw van de drankzucht of dronkenschap van haren man eenig nadeel of eenigen hinder ondervindt. — Rechtb. Amsterdam 15 October 1909; W. 9055.

262. Wel kan worden aangenomen, dat in een speciaal geval eene beleediging, mishandeling of buitensporigheid door den eenen echtgenoot jegens den anderen begaan, kan worden gerechtvaardigd, doordat die eene echtgenoot daartoe door den anderen is geprovoceerd, maar dit belet niet, dat in het algemeen niet een compensatie-systeem mag worden aangenomen, dat den eenen echtgenoot het recht zou geven den anderen onbetamelijk te behandelen en te beleedigen, indien deze laatste in 't algemeen door zijne gedragingen daartoe aanleiding geeft. — Rechtb. Breda 27 April 1909; W. 8944

263. Het is eene buitensporigheid in den zin der wet en dus grond opleverende tot scheiding van tafel en bed, wanneer de man iederen avond tot laat in den nacht uitgaat en zich dan in het openbaar met eene bekende tooneelspeelster vertoont, zonder dat zijn beroep daartoe de minste aanleiding geeft. — Rechtb. Amsterdam 28 Mei 1909; W. 9184.

264. In den zin van art. 288 is slechts eene buitensporigheid, wat is begaan jegens d. w. z. tegenover den anderen echtgenoot. Als zoodanig kunnen niet in aanmerking komen feiten, die objectief genomen zijn af te keuren en den anderen echtgenoot alleen uit een zedelijk oogpunt treffen, als daar zijn diefstal en misbruik van sterken drank. — Hof Arnhem 20 October 1909; W. 8993.

265. In geval van een eisch tot scheiding van tafel en bed op grond van buitensporigheden en grove beleediging, moeten de feiten waarop de vordering steunt in de dagvaarding nauwkeurig worden omschreven; is dit niet het geval dan kan daaraan niet te gemoet worden gekomen door een bewijsaanbod van hetzij geheel nieuwe feiten, hetzij van feiten, zoodanig gewijzigd, dat zij een geheel ander karakter krijgen. — Rechtb. Zwolle 17 November 1909; W. 9104.

266. Eene reeks van handelingen, die ieder op zichzelf nog geen krenkend karakter dragen, kan beleedigend zijn in den zin van art. 288 B. W. — H. R. 18 Februari 1910, concl. conf.; W. 8980; P. v. J. 1910, 934; N. R. CCXIV, 168.

267. Wanneer een vrouw voortdurend de huwelijkstrouw schendt en haren man haar dit dan in soms ruwe bewoordingen verwijt, dan zijn die ver wij tingen niet aan te merken als grove beleedigingen, die eene scheiding van tafel en bed kunnen wettigen. — Hof 's-Gravenhage 13 Juni 1910 (met verniet. Rechtb. 's-Gravenhage 7 April 1910); W. 9023; P. v. J. 1910, 967.

268. Waar beide echtgenooten tegenover elkander vorderen de scheiding van tafel en bed, ieder hunner op grond

Sluiten