Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

363. Voogdij domicilie (art. 385a B.W.). Cassatie verworpen H. R. 3 November — T. d. K. V, 167. 1910, concl. conf.; W. 9085.

364. Wanneer is gebleken, dat de voor het in werking treden der Kinderwetten door een Nederlandschen Kantonrechter benoemde toeziende voogd toen in het buitenland woonde en daar is blijven wonen en niet door een ingezetene van het Koninkrijk als zoodanig is vervangen, dan hebben de betrokken minderjarigen binnen het Koninkrijk geen voogdij-domicilie. — Kantong. Terneuzen 27 Januari 1910; W. 9014; W. v. N. R. 2136; T. d. K. IV, 89.

Art. 3856.

365. Kinderwetten en armenwet. De taak der voogdijraden. — T. d. K. II, 161.

366. Missive betreffende den omvang van de bevoegdheid tot voorloopig onderzoek door een voogdijraad. — M. J. 29 December 1908; T. d. K. III, 61.

367. Minderjarige, niet erkende natuurlijke kinderen, aan den voogdijraad toevertrouwd, kunnen — wanneer niemand of geene stichting enz. bereid wordt bevonden om de voogdij er over te aanvaarden — op 's lands kosten permanent door den voogdijraad worden verzorgd. — M. J. 14 November 1907; T. d. K. II, 175.

368. Voorzitter en secretaris van den voogdijraad kunnen niet zelfstandig in hooger beroep komen van eene beschikking der Rechtbank. Hebben zij het gedaan, dan kan die handeling niet worden bekrachtigd door een besluit van den voogdijraad genomen nadat de appèltermijn verstreken is. — Hof Amsterdam 24 Augustus 1910; W. 9045; T. d. K. IV, 100; N. R. CCXVI, 66.

Art. 390.

369. Q. Vlug. Zekerheid voor voogdijbeheer. (S. betoogt dat scheepsverband als wettelijke waarborg tot zekerheid van voogdij beheer behoort te worden erkend en dat de betrekkelijke wetsbepalingen moeten worden gewijzigd.) - W. v. Not. 405.

Art. 391.

370. Mr. M. J. Claasen. Eene verouderde regeling in zake voogdij en curateele. (S. betoogt dat de regeling, vervat in de wet van 26 Mei 1841 (St. 14), houdende nadere bepalingen nopens de consignatie van effecten aan toonder, welke aan minderjarigen of aan onder curateele gestelde personen toebehooren, met het bijbehoorend K. B. van 1 Februari 1876 (St. 36) verouderd is en niet langer doel treft.) — W. 8702.

371. Dezelfde. Consignatie van aan minderjarigen of curandi toebehoorende effecten aan toonder. — W. v. Not. 250—253.

372. Er bestaat geen bezwaar tegen om door eene moeder-voogdes in consignatie gegeven effecten te laten berusten in de consignatiekas van het kantoor, waarin zij aanvankelijk conform de wettelijke voorschriften werden gestort, wanneer de moeder-voogdes tengevolge van haar huwelijk met een buitenlander naar het buitenland verhuist. — M F. 5 Januari 1910, no. 49; W. v. N. R. 2131; W. v. Not. 263; P. W. 10312.

Art. 397.

373. G. Vlug. Art. 397 B. W. (S. be-

Sluiten