Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verzuimen den voogd niet kunnen worden aangerekend. — Hof 's-Gravenhage 13 Januari 1908; W. 8635; W. v. N. R. 1992; P. v. J. 1908, 750. (Zie no. 1358 Deel I.)

388. Een verzoek om den vader, aan wien na ontbinding van het huwelijk de kinderen niet zijn toevertrouwd, uit de voogdij te ontzetten, is niet ontvankelijk. — Rechtb. Dordrecht 10 November 1909 (bevest. door Hof 's-Gravenhage 17 Januari 1910); W. 8967; T. d. K. III, 172.

Art. 437, 1".

389. Op zich zelf staande feiten kunnen de slotsom, dat iemand een slecht levensgedrag leidt, niet wettigen. Zelfs slechte gedragingen, die een ergerlijk voorbeeld aan de kinderen opleveren, wettigen de ontzetting der moeder uit de voogdij niet, wanneer de kinderen hunne moeder zeer aanhangen en hunne verwijdering naar elders op hunne stemming eene ongewenschte zedelijke uitwerking zou hebben. — Rechtb. Assen, 25 Mei 1909 (bevest. door Hof Leeuwarden 30 Juni 1909); T. d. K. III, 130.

390. Bij de beantwoording der vraag of de levenswandel eener moeder-voogdes zoodanig onzedelijk is, dat zij uit de voogdij over hare kinderen behoort te worden ontzet, moet buiten beschouwing blijven het licht, waarin de handelingen der moeder-voogdes komen te staan van af het standpunt, aangewezen door hare subjectieve zeer bijzondere opvattingen omtrent sexueele moraal en kan alleen rekening worden gehouden met de opvattingen daaromtrent in het maatschappelijk verkeer algemeen gehuldigd. — Rechtb. 's-Gravenhage 10 November 1910; T. d. K. IV, 111. (Verniet, door Hof aldaar 10 April 1911; T. d. IC. V, 145.) j

Cremers, Aant. B. W., Ie s.

In gelijken zin als de Rechtb. 's-Gravenhage die van Amsterdam 30 November 1910; T. d. K. V, 153.

391. Een moeder-voogdes, die na ontbinding van haar huwelijk meteen bijzit leeft, behoort uit de voogdij te worden ontzet. — Hof 's-Gravenhage 17 Januari 1910 (met verniet. Rechtb. Dordrecht 10 November 1909); W. 8967; T. d. IC III, 172.

Art. 437, 8".

392. Veroordeeling tot twee dagen hechtenis en twee jaar opzending naar eene rijkswerkinrichting is eene veroordeeling als bedoeld in art. 437, 8°. B. W. — Rechtb. Middelburg 17 Juli 1912; T. d. IC. V, 129.

Art. 4386.

393. Ingeval van ontheffing van de voogdij is de Rechtbank volkomen vrij in de benoeming van een nieuwen voogd ; in het bijzonder is zij niet gebonden aan de voordracht tot benoeming van eenen voogd, gedaan naar aanleiding van eene bereidverklaring tot aanvaarding der voogdij conform art. 4406 B. W.— H. R. 2 December 1910, concl. conf.; W.9109; T. d. K. V, 170.

394. Ingeval van een verzoek tot ontheffing van voogdij is de Rechter gehouden om bij de toewijzing van het verzoek den persoon, die zich schriftelijk bereid verklaarde de voogdij over te nemen tot voogd te benoemen. Hij kan niet het verzoek toewijzen en een ander, die zich niet schriftelijk bereid verklaarde, tot voogd benoemen. — H. R. 3 Maart 1911, concl. conf.; W. 9150.

Art. 440«.

395. Na ontheffing van de na echt-

Sluiten