Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over een vreemdeling benoemd is, dan kan het feit, dat een vreemde Rechter over denzelfden minderjarige een voogd benoemde den door den Nederlandschen Rechter benoemden voogd niet ontslaan van zijne verplichting van zijn gevoerd voogdij beheer aan den meerderjarig geworden minderjarige rekening en verantwoording te doen. — Rechtb. Alkmaar 25 Juni 1908; W. 8799; W. v. Not. 180.

405. Bij het doen zijner slotrekening en verantwoording aan den meerderjarig geworden minderjarige is de voogd niet verplicht het door hem voor den minderjarige belegde kapitaal wederom in contanten om te zetten en dan in dien

toestand af te dragen; ook niet als die belegging heeft plaats gehad door het nemen eener tweede hypotheek. — Hof 's-Gravenhage 25 Maart 1912 (metverniet. Rechtb. aldaar 21 Maart 1911); j W. 9294; W. v. N. R. 2216.

406. Ingeval van tweede huwelijk der moeder bestaat er geen bezwaar ; .tegen om door de voogdes en den mede- ; voogd ieder eene afzonderlijke voogdijrekening te doen afleggen; het zou dan tegen recht en billijkheid strijden om den mede-voogd mede hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor al wat de voogdes te haren laste gelieft te laten brengen. — Hof Amsterdam 12 Januari 1912; W. 9390. (Zie nos. 1467—1469 Deel I.)

Art. 468.

407. Een huwelijksuitzet door een ouder-voogd aan zijn minderjarig kind verschaft, moet als een geschenk worden beschouwd en kan dan ook niet als uitgaaf in de voogdijrekening worden toegelaten. —Hof Amsterdam 12 Januari 1912; W. 9390; W. v, Not. 400.

408. Bij de beoordeeling van de voogdijrekening van een voogd moet op grond van het bepaalde bij art. 468 B. W. niet uit het oog worden verloren, dat van meerdere uitgaven bij ontkentenis door gerendeerde niet het strenge bewijs van rechten moet worden gevorderd, maar zulke uitgaven, wanneer zij in verhouding tot het vermogen en den stand van den pupil als noodzakelijk, betamelijk en behoorlijk gerechtvaardigd kunnen beschouwd worden, en door den voogd op voor de Rechtbank genoegzame wijze worden aannemelijk gemaakt, hem moeten worden goed gedaan. — Rechtb. 's-Gravenhage 2 Mei 1912; W. v. N. R. 2213.

Art. 470.

409. Terecht is de verklaring, afgelegd tegelijk met de goedkeuring der voogdijrekening en houdende erkenning van ontvangst van des pupils aandeel in de roerende goederen eener nalatenschap, waartoe de pupil gerechtigd is, niet beschouwd als eene overeenkomst betrekkelijk de voogdijrekening, waartegen art. 470 B. W. nietigheid bedreigt. — Hof Leeuwarden 16 Januari 1907; W. 8721; W. v. Not. 156.

410. De in art. 470 B. W. bedreigde nietigheid is een relatieve nietigheid. — Hof Leeuwarden 16 Januari 1907; W. 8721; W. v. Not. 156. (Zie nos. 1502 en 1503 Deel I.)

411. Overeenkomsten tusschen den

gewezen vader en voogd en zijn meerder¬

jarig geworden kinderen over den omvang der moederlijke nalatenschap raken wel degelijk het voogdijbeheer en zijn dus nietig, zoo zij niet zijn voorafgegaan door eene behoorlijke rekening en verantwoording van dat beheer. — Rechtb. Haarlem 1 Februari 1910; W. v. N. R. 2206.

Sluiten