Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ken door prof. mr. J. C. Naber. Eene nieuwe studie over mede-eigendom. — W. v. Not. 390—393, 397, 399,401,402, 406-409, 415, 417, 418, 424, 425,426,428, 430, 431, 434, 435, 436, 440, 442 en 443. Verder beoordeeld door mr. Jules Goudeket in W. v. N. R. 2265 en doormr. J. Creveld in W. 9489.

447. Ingeval van mede-eigendom, dat is, wanneer één of meer personen zijn mede-eigenaren pro indiviso van eene zaak, heeft ieder hunner het recht zijn recht te handhaven tegenover den houder, casu quo zelfs tegen een medeeigenaar zonder medewerking van den anderen mede-eigenaar of de andere medeeigenaren. — Rechtb. Roermond 20 Januari 1910; W. v. N. R. 2114. .

Art. 584.

448. Rechten in subjectieve'^ zin moeten hun grondslag vinden in de wet, hetzij in een bepaald voorschrift, hetzij in een in de wet neergelegd algemeen beginsel. Terwijl de overeenkomst in het algemeen als bron van verbintenis door de wet wordt erkend, bevat deze niet eene overeenkomstige algemeene regeling ten aanzien van zakelijke rechten, maar duidt zij slechts enkele rechten in het bijzonder als zakelijke rechten aan en geeft dienaangaande voorschriften. — Rechtb. Rotterdam 9 Februari 1914; W. v. N. R 2308 (zie nos. 103, 106 en 107 Deel II).

Art. 585.

449. Mr. J. Goudeket. De gronden van bezitsbescherming. — W. v. N. R. 2145 en 2146.

450. Mr. J. C. van Oven. Zwitsersch bezitsrecht. (Bespreking van een bijdrage van mr. J. Kan in het Zeitschrift für

Schweizeriches Recht, handelende over het bezitrecht in het Zwitsersch Burgerlijk Wetboek). — W. v. N. R. 2272.

451. Medegebruik van een gang als uitweg bewijst niet medebezit van dien gang, ook dan niet, wanneer de medegebruiker den gang als weg heeft mede onderhouden. —- Rechtb. Arnhem 15 September 1910; W. 9192.

452. Het bezit van een strook gronds die wel hoofdzakelijk, maar niet uitsluitend als voetpad wordt gebruikt, kan niet uit het gebruik als voetpad worden afgeleid, vooral niet nu de beweerde bezitter niet alleen, maar ook een ander de strook als voetpad bezigt. — Rechtb. Alkmaar 7 October 1909; Mb. Dw. 96.

Art. 586.

453. Bezit in strijd met eigen titel is te kwader trouw. — Rechtb. Tiel 2 Juni 1911; W. 9302; W. v. N. R. 2218.

Art. 593.

454. De rechter vindt in de wet geen maatstaf ter beoordeeling van de vraag of eene zaak is in of buiten den handel, hij moet dit naar de omstandigheden beoordeelen. Waar de bestemming eener zaak ten openbaren nutte de eenige grond is van hare onttrekking aan het openbaar verkeer, kan deze onttrekking niet verder reiken dan die bestemming noodzakelijk maakt; daarom wordt een strook grond, bezwaard met dien last, niet eene zaak buiten den handel, maar blijft zij vatbaar voor eigendom, bezit of andere burgerlijke rechten van bijzondere personen of gemeenschappen, altijd behoudens en onverkort de openbare bestemming. — Rechtb. Maastricht 27 October 1910 ; W. v. N. R. 2200. (Zie nos. 156— 160 Deel II.)

Sluiten