Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanwijzing te vorderen van eene wijze van eigendomsverkrijging of van den grond, waarop de eigendom berust. Mitsdien behoeft een eischer, die zijne vordering op den gemeenen eigendom van zoo'n muur grondt, in zijne dagvaarding ook geene nadere gronden voor dien eigendom te stellen. — Hof Amsterdam 3 November 1911: W. 9311. (Zie no. 658 Deel II.)

528. Wanneer blijkt, dat een muur wel alle ken teekenen van te zijn gemeene muur vertoont, maar tevens komt vast te staan, dat een der geburen zich ten laste des anderen gebuurs van zijn onderhoudsplicht heeft ontdaan, dan moet ook worden aangenomen, dat hij afstand heeft gedaan van zijne rechten op den muur en dat deze dus heeft opgehouden gemeene muur te zijn. — Hof Amsterdam 3 November 1911; W. 9311.

Art. 682.

529. Het in art. 682, 2°. B. W. omschreven teeken, dat een scheidsmuur niet gemeen is, levert een wettelijk vermoeden op, hetwelk, als niet behoorende tot die waartegen ingevolge art. 1958,

2°. R. W. geen bewijs is toegelaten, wel hem, in wiens voordeel het bestaat van alle verdere bewijzen ontslaat, maar door tegenbewijs kan worden ontzenuwd en dus ook door vermoedens niet op de wet zelve gegrond, maar aan 's rechters oordeel en voorzichtigheid overgelaten. — H. R. 17 December 1909, concl. conf.; W. 8949 ; P. v. J. 1909,913; W. v. N. R. 2095; N. R. CCXIII, 315; [met bevest. Hof Amsterdam 20 November 1908 (no. 664 Deel II)].

530. Wel wordt door de wet in art. 682 1°. en 3°. B. W. aan de eenzijdige formatie van een muur een rechtsvermoeden van niet-mandeeligheid verbon¬

den, maar de wet spreekt zich niet in tegengestelden zin uit bij gelijke formatie van den muur aan beide zijden. — Rechtb. Amsterdam 13 Juni 1910; W. 9179.

531. Van het bestaan eener „snijding" tusschen twee perceelen kan geen sprake zijn, wanneer vaststaat, dat op een der perceelen geen scheidingsmuur of ander getimmerte aanwezig was. Hieraan wordt niets veranderd, doordat wel aan het voor- en achtergedeelte der perceelen eene „snijding" aanwezig was. — Rechtb. Amsterdam 13 Juni 1910; W. 9179.

532. Als teeken van mandeeligheid van een muur kan niet worden aangenomen, dat zijne fundamenten aan weerszijden even ver uitsteken. — Hof's-Hertogenbosch 22 November 1910; W. v. N. R. 2154.

Art. 684.

533. Het afbreken van een gemeenen muur, geschiedende buiten toestemming van een der eigenaars, is in het algemeen onrechtmatig en verliest dat karakter niet wanneer zij geschiedt door een aannemer ingevolge opdracht van den anderen eigenaar van den muur, daar de bepalingen omtrent den gemeenen muur in het B. W. voorkomende, waarbij de rechten der eigenaren nauwkeurig zijn omschreven, aantoonen dat willekeurig beschikken door een der eigenaren over den gemeenen muur, door hem af te breken, ongeoorloofd is. Zoodanige handeling zoude echter niet onrechtmatig zijn, wanneer de muur zich in zoodanigen bouwvalligen toestand bevond, dat, toen het perceel van den eenen eigenaar was afgebroken, de afbraak van dien muur gebiedend noodzakelijk was. — Rechtb. Amsterdam 15 November 1907; W. 8797,

Sluiten