Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den muur en bij eenen gemeenen scheidsmuur, op dat van zijn mede-eigenaar maakt en mitsdien eene onrechtmatige daad pleegt. — Hof Amsterdam 27 November 1911; W. 9388. (Zie no. 720 Deel II.)

541. Het voorschrift van art. 702 B. W. geldt zoowel voor de erven, welke door een gemeenen, als voor die, welke door een niet gemeenen muur worden gescheiden — Hof Amsterdam 27 November 1911; W. 9388. (Zie no. 713 Deel II.)

542. Voor toepassing van art. 702 B. W. moet vaststaan, dat de muur dreigt in te storten. Het enkele feit, dat de muur naar de zijde van een der naburige erven overhelt, is niet voldoende. Het artikel heeft ook betrekking op gemeene muren. — Rechtb. 's-Gravenhage 7 Februari 1913; W. v. N. R. 2254. (Bevest. door Hof aldaar 10 November 1913; W. v. N. R. 2296.)

Art. 70(5.

543. De toepassing van art. 706 B. W. is strikt beperkt tot grachten en slooten en kan in het bijzonder niet worden uitgebreid tot kolken. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 15 April 1910; W. 9104.

544. Sloot in den zin van art. 706 B. W. is eene verlengde uitgraving ten einde een stuk grond af te sluiten, waarbij breedte of diepte geen bepaald kenmerk behoeft te zijn en evenmin of die uitgraving water inhoudt. Mitsdien valt ook een „greppel" onder dat begrip „sloot". — Rechtb. Amsterdam 21 Octo-

ber 1910; W. 9201.

Art. 707.

545. Wanneer de opgeworpen alleen aan de eene zijde van een

sloot ligt en deze dus geacht moet worden in zijn geheel toe te behooren aan den eigenaar van het perceel waarop de aarde ligt, moet die sloot geacht worden de grens van twee erven aan te wijzen, ook dan, wanneer op die opgeworpen aarde eene afrastering is geplaatst. — Rechtb. Amsterdam 21 October 1910; W. 9201.

Art. 713.

546. Boomen, die tijdens de dagvaarding tot derzelver opruiming krachtens het voorschrift van art. 713 B. W. hoog opschietend zijn, doch gewoonlijk na zekeren tijd worden geknot, verliezen in den zin van art. 713 B. W. hun karakter van hoog opschietende boomen, als die knotting tempore utili plaats heeft. — Rechtb.'s-Hertogenbosch 6 Mei 1910; W. 9139; W. v. Not. 300.

547. Vermits het doel van het voorschrift van art. 713 B. W. is te zorgen, dat de nabuur geen last zal hebben van des buurmans boomen, moet<*n de artt. 713 en 714 B. W. zóó worden opgevat, dat men geen hoog opschietende boomen en heggen mag hebben dan op den afstand bij bijzondere reglementen en erkende gebruiken bepaald en bij ontstentenis van deze op niet minder dan 20 en 5 palmen van de scheidslinie. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 6 Mei 1910; W. 9139; W. v. Not. 300.

Art. 715.

548. Een eigenaar van een stuk land, waarvoor hij aanspraak kan maken op een noodweg, heeft recht dien weg te vorderen van den openbaren weg af tot aan zijn voorbedoeld perceel; ook dan, wanneer hij mede-eigenaar is van een aan het zijne grenzend perceel, kan de persoon, die uitweg heeft te geven, niet

Sluiten