Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

566. Ook een toegekend persoonlijk recht van uitweg behoort op de voor dengene, die den uitweg moet verleenen, minst bezwarende wijze te worden uitgeoefend. — Rechtb. Utrecht 25 October 1911, W. 9289.

567. Zoo een weg een buurweg is, dan zijn de bezitters der perceelen, ten bate waarvan die buurweg bestaat, gerechtigd om met hunne toestemming ook andere personen over den buurweg te laten loopen. — H. R. 26 Juni 1911, concl. contr.; W. 9212; N. R. CCXVIII, 345.

568. „Weg" in art. 719 B. W. omvat ook „waterweg". — Hof 's-Gravenhage 31 Maart 1913; W. 9524; W. v. N. R. 2264 (met' verniet. Rechtb. aldaar 11 April 1912; W. 9306 en 9524; W. v. N. R. 2209).

569. Wanneer van een weg, loopende tusschen twee erven, vaststaat, dat hij in zijn geheel bij een dier erven behoort, d. w. z. het eigendom van den eigenaar van dat erf is, dan kan uit het enkele feit, dat de eigenaar van het andere erf dien weg noodig heeft en ook gebruikt, niet worden afgeleid, dat die weg een buurweg is; daartoe zou noodig zijn, dat van een bestemming tot buurweg bleek. — Hof 's-Gravenhage 18 October 1912; W. 9386; W. v. Not. 392.

Art. 721.

570. Mr. J. C. van Oven. Erfdienstbaarheden ten nutte van het erf. — W. v. N. R. 2278.

571. De wet eischt geen sacramenteele woorden voor de vestiging eener erfdienstbaarheid; wanneer dan ook bij den verkoop van een perceel de verkooper ten bate van zichzelf als eigenaar van een ander perceel een overweg over

het verkochte perceel bedingt, dan moet worden aangenomen, dat bij die koopakte eene erfdienstbaarheid ten laste van het verkochte erf en niet een persoonlijk recht voor den verkoop bedongen is. — Hof Arnhem 29 April 1908; W. 8847.

572. De uitdrukking „erf" in art. 721 B. W. heeft de ruime beteekenis van een lichamelijk onroerend goed. Daar wijders de bestemming van een grondstuk tot openbaren weg niet belet, dat dit grondstuk, voor zoover die bestemming dit niet verhindert, onderwerp van civielrecht kan zijn, kan een openbare weg ook het heerschend erf zijn ten opzichte van eene op een ander erf rustende erfdienstbaarheid. —Hof's-Gravenhage 19 December 1910; W. 9104; W. B. A. 3231.

573. „Erf" in art. 721 B. W. heeft de beteekenis van lichamelijk onroerend goed. Mitsdien kan ook ten laste van een grondstuk, dat tot openbaren weg bestemd is, eene erfdienstbaarheid worden gevestigd. — H. R. 5 Januari 1912, concl. conf.; W. 9308; W. v. N. R. 2225; W. v. Not. 360; N. R. CCXX, 23.

574. Het woord „erf" in art. 721 B. W. heeft de ruime beteekenis van grondstuk, waaronder een openbare weg is begrepen. Dat een grondstuk de bestemming heeft van openbaren weg belet niet, dat het onderwerp is van burgerlijk recht voorzooverre die bestemming daardoor niet wordt verhinderd. — Hof 's-Gravenhage 30 December 1912; W. 9472; W. v. N. R. 2257; W. v. Not 407.

Art. 726.

575. Wanneer men eenen muur of een gebouw opnieuw optrekt, dan blijven de heerschende en lijdende erfdienst-

Sluiten