Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

baarheden ten opzichte van den nieuwen muur of het nieuwe gebouw voortduren volgens het bepaalde in art. 726 B. W., zonder dat de dienstbaarheden evenwel kunnen worden verzwaard. Dit laatste kan met eene erfdienstbaarheid van licht en lucht het geval zijn, wanneer bestaande vensters worden verplaatst of vermeerderd. — Rechtb. Amsterdam 10 November 1911 ; W. 9345.

Art. 727.

576. Mr. S. G. Canes. Het servituut van licht, lucht en uitzicht hi de rechtspraak. — W. v. N. R. 2109 en 2110.

577. Krachtens een servituut van uitzicht kan slechts wegruiming worden gevorderd van wat werkelijk het uitzicht schaadt; dit kan niet worden gezegd van de geleiddraden eener electrische tram, wel van een paal der geleiding. — Rechtb. Rotterdam 28 November 1910; W. 9248; W. v. Not. 328.

Art. 728.

578. Het beding: „dat de verkoopers op hun erf tegen het nieuw door de koopers daar te stellen gebouw niet mogen bouwen", vestigt eene erfdienstbaarheid, waardoor verboden wordt tegenover het nieuwe gebouw te bouwen. — Recht) >. Roermond 25 Juni 1908; W. v. N. R. 2055. (Bevest. door Hof 's-Hertogenbosch 28 Juni 1909; W. v. N. R. 2068.)

Art. 738.

579. Art. 738 B. W. brengt mede, dat iemand, die een servituut van waterloozing door een sloot door verjaring verkrijgt, dat servituut ook slechts kan uitoefenen, zooals het was toen hij het verkreeg, in het bijzonder voor wat de bodemhoogte van de sloot aanbelangt.

Hierin wordt geene verandering gebracht door het voorschrift van art. 735 B. W., dat in verband met art. 738 B. W. slechts toelaat het maken van werken binnen de grenzen van het servituut bij den titel van aankomst gesteld. — Hof 's-Hertogenbosch 13 September 1910; W. 9116.

580. Indien een recht van uitweg over een perceel land gevestigd is ten behoeve van eene op een daarnaast gelegen perceel staande fabriek, dan mag die uitweg niet worden gebezigd om rails enz. te vervoeren naar een perceel, gelegen achter en grenzende aan het perceel, waarop de fabriek staat. Wel mag de uitweg worden gebezigd voor het vervoer van steenen, gebakken op de fabriek uit klei daar aangevoerd van het voorbedoeld achtergelegen perceel. — Rechtb. Arnhem 23 Mei 1910; W. 9225. Bevest. voor wat betreft het vervoer van steenen over den uitweg, terwijl voor wat aangaat het vervoer van rails was berust. — Hof Arnhem 2 Mei 1911; W. 9225. (Bevest. bij het volgend arr.)

581. Krachtens art. 721 B. W. kan eene erfdienstbaarheid gevestigd worden ten nutte van een erf, d. w. z. ten nutte van den grond en van wat daarop is gebouwd. Wanneer dienovereenkomstig eene erfdienstbaarheid van uitweg gevestigd is, ten bate van een steenfabriek, zonder dat van eenige beperking blijkt, dan moet ook worden aangenomen, dat die uitweg gebezigd mag worden voor alle in die fabriek vervaardigde steenen, onafhankelijk van de vraag waar de grondstof vandaan is gekomen. — H. R. 19 Januari 1912; W. 9314 ; N. R. CCXX, 106; W. v. Not. 387.

582. Waar het geldt eene erfdienstbaarheid van weg, is het stichten van een gebouw op het heerschend erf op

Sluiten