Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schen de erfgenamen alleen verschil bestaat over de wijze van verkoop van dat goed. — Rechtb. 's-Gravenhage 3 December 1909; W. 9128.

685. Het rechterlijk bevel tot verkoop van onroerend goed, gegeven krachtens art. 1122 B. W. bindt alle mede-gerechtigden in dezen zin, dat het aan allen of aan een of meer van dezen, die het hebben uitgelokt, de bevoegdheid geeft den verkoop ten einde toe door te zetten, desnoods tegen den wil van hen, die tegen den verkoop bezwaren hebben gemaakt. Deze bevoegdheid brengt mede deze andere bevoegdheid om, evenzoo desnoods tegen den wil der medegerechtigden, bij wanbetaling der kooppenningen overeenkomstig de veilingsconditiën eene herveiling door te zetten. — Rechtb. Almelo 20 December 1911; W. 9338; W. v. Not. 416.

Art. 1125.

686. Wanneer een man na den dood zijner vrouw in het bezit van de huwelijksgemeenschap, die tusschen de echtelieden bestond, is gebleven en in het bijzonder eene fabriek, die daartoe behoorde, is blijven exploiteeren, dan is hij bij later gevolgde scheiding en deeling rekening en verantwoording aan de erfgenamen zijner vrouw schuldig, zonder echter verplicht te zijn de nader door zijn vrouw gemaakte winst te verantwoorden. — Rechtb. Haarlem 1 Februari 1910; W. v. N. R. 2206.

687. Wanneer bij akte van scheiding aan een der erfgenamen eene vordering op een ander erfgenaam wegens overbedeeling is toebedeeld, dan bewijst de aan het slot der akte van scheiding opgenomen clausule, dat erven verklaren, „de nalatenschap naar genoegen te hebben gescheiden en verdeeld, hetgeen is

aanbedeeld te hebben ontvangen en daarvoor elkander kwijting en décharge te geven met belofte van vrijwaring volgens de wet'', niet dat ook de bedoelde vordering is voldaan. — Rechtb. 's Gravenhage 5 Januari 1911; W. v. N. R. 2199.

Art. 1129.

688. Iemand, die na overlijden des erflaters wel aanvankelijk een aan dezen toebehoorend schip voor zijn mede-erfgenamen heeft beheerd, moet desniettemin geacht worden dat beheer uitsluitend voor zich zelf te hebben gevoerd, wanneer het schip bij boedelscheiding aan hem wordt toebedeeld. — Rechtb. Rotterdam 10 November 1909; W. 9083.

Art. 1132.

689. Prof. mr. E. M. Meijers. Inbreng van schulden en gedwongen verzekering. (Lezing gehouden in de Notarieele Vereeniging te Amsterdam.) — W. v. N. R. 2184—2187. (Zie nos. 1849—1861 Deel II.)

Art. 1136.

690. Art. 1136 B. W. geeft slechts regelen voor het geval de inbreng niet is geregeld ; niets belet dan ook om van die regelen af te wijken bij overeenkomst. — Rechtb. 's-Gravenhage 1 December 1909; W. 8948; W. v. N. R. 2097; W. v. Not. 250.

Art. 1143.

691. De bepaling van art. 1143 B. W. is als uitzondering op den regel omtrent inbreng strictissimae interpretationis; slechts dat deel van den uitzet is dan ook niet aan inbreng onderworpen, waarvan uitdrukkelijk blijkt, dat het bestaat in bruiloftskosten, kleeren en kleinodiën. — Rechtb. 's-Gravenhage 1 December

Sluiten