Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitgegeven gronden gestichte gebouwen.

— lïechtb. Winschoten 13 Januari 1909; W. 8951 ; W. v. Not 221.

730. Indien een kooper van een perceel land daarop een huis bouwt en daarna huis en erf met hypotheek belast, dan gaat ingevolge art 1215 B. W. bij ontbinding der koopovereenkomst betrekkelijk het land op grond van wanbetaling der kooppenningen, die hypotheek teniet, voorzoover zij op het land gevestigd was, maar blijft zij bestaan op het daarop gebouwde huis. In zoo'n geval moet het rechtsvermoeden van art. 626 B. W., dat de eigendom van den grond medebrengt den eigendom van den opstal, geacht worden te zijn ontzenuwd.

— Hof 's-Hertogenbosch 15 Juni 1909; W. 8965; W. v. N. R. 2077; W. v. Not. 291. (Zie nos. 2147—2149 Deel II.)

Art. 1223.

731. De onherroepelijke volmacht, bedoeld in art. 1223, 2e lid B. W. is niet op te vatten als eene lastgeving, doch als een aan den hypotheekhouder toekomend deel van zijn zakelijk recht, zoodat hij, die de onherroepelijke volmacht verstrekte, daaraan geen recht kan ontleenen om van den hypotheekhouder, die het verbonden goed verkocht, rekening en verantwoording te vorderen. Die actie zal hij al evenmin kunnen ontleenen aan het algemeene voorschrift van art. 771 Rv. in een geval, waarin krachtens art. 1249 B. W. het saldo aan een derden bezitter moet worden uitgekeerd. — Rechtb. Rotterdam 8 November 1909; W. 9098; W. v. Not. 330. (Zie no. 2199 Deel II.)

732. Het beding bedoeld in art 1223, lid 2 B. W. is niet eene lastgeving. — Rechtb. Tiel 14 November 1913; W. 9551; W. v. N. R. 2294 ; W. v. Not. 429.

733. De onherroepelijke volmacht tot verkoop van art. 12/Ï3 B. W. brengt niet mede eene machtiging tot de feitelijke levering van het krachtens die volmacht verkochte goed. — Rechtb. Utrecht 27 April 1910; W. 9015 ; W. v. Not 237.

734. Indien een hypothecair crediteur gebruik heeft gemaakt van zijn recht van onherroepelijke volmacht, gaat zijne vordering teniet op het oogenblik, waarop en voorzoover die crediteur de kooppenningen van het goed int. Hierin wordt geen verandering gebracht doordat de koopers eene rangregeling uitlokken. —■ Rechtb. 's-Gravenhage 18 Mei 1911; W. v. N. R. 2165.

735. Onder de opbrengst van onroerend goed, verkocht krachtens art. 1223 B. W. moet ook worden verstaan het bedrag, dat de kooper ter goedmaking der kosten moet betalen; dat bedrag moet dus ook aan den hypotheekgever worden verantwoord, uit den aard der zaak onder inhouding der werkelijk gemaakte kosten, niet alleen die, welke door den notaris als zoodanig zijn gemaakt, maar ook die, welke aan den notaris als lasthebber van den executantverkooper moeten worden voldaan. — Rechtb. Maastricht 7 December 1911; W. 9280 ; W. v. N. R. 2208 ; W. v. Not. 353.

736. Door een verkoop van het hypothecair verbonden goed door den onherroepelijk tot verkoop gemachtigden schuldeischer, zonder dat de voorwaarde voor het recht tot verkoop was vervuld, is het recht om alsnog ex art. 1223 B. W. hetzelfde goed opnieuw te verkoopen, niet verwerkt. De bij den eersten verkoop door den schuldenaar aangenomen lijdelijke houding kan niet het zakelijke recht tot verkoop doen ontstaan,

Sluiten