Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ring der overeenkomst bepaalden termijn wanneer dit ten minste bij overeenkomst is bepaald. —Rechtb. Tiel 20 Juni 1909; W. 8963; W. v. N. R. 2107.

759. Geene inverzuimstelling is noodig, wanneer de wanpraestatie niet bestaat uit nalatigheid eener praestatie, maar uit een lijnrecht in strijd handelen met de overeenkomst. — Rechtb. Amsterdam 15 December 1911; W. 9338.

7 60. Wanneer in het geding komt vast te staan, dat een gesommeerde, ook al ware hem een termijn gelaten, toch niet aan de sommatie zou hebben voldaan, dan is behoorlijk in mora gesteld, ook al werd hij op de wijze, voorgeschreven bij art. 4, 8°. Rv. gesommeerd om onmiddellijk te praesteeren, wat van hem gevraagd werd. — Hof 's-Gravenhage 9 November 1909; W. 8964.

761. De wet bepaalt nergens, dat een schuldenaar in gebreke zal zijn tengevolge zijner verklaring, dat hij de verbintenis niet zal nakomen. — H. R. 28 Januari 1910, concl. conf.; W. 8971; P. v. J. 1910, 928; N. R. CCXIV, 77.

762. Wanneer een verkooper uitdrukkelijk verklaard heeft niet te kunnen en niet te zullen leveren, dan moet eene ingebrekestelling eer onlogisch, nutteloos en overbodig, dan rationeel noodzakelijk geacht worden. Zeker is in zulk geval eene opzettelijke in-mora-stelling onnoodig, wanneer de verkooper zijne mededeeling, dat hij niet kon en niet zal leveren, doet in antwoord op een brief des koopers, die door den verkooper terecht als eene eisch tot levering is opgevat. — Rechtb. 's-Gravenhage 23 Maart 1910; W. v. N. R. 2179.

763. Wanneer vaststaat, dat de tegenpartij hare verplichtingen niet zal na¬

komen, komt eene inverzuimstelling niet te pas. — Rechtb. 7 Maart 1912; W. v. N. R. 2212.

764. Wanneer feitelijk vast staat, dat eene overeenkomst alleen op een bepaalden dag kan worden uitgevoerd en dat de schuldenaar op dien dag en daarna weigerde om haar uit te voeren, dan is ook terecht beslist, dat geene in-morastelling noodig is. — H. R. 28 Februari 1912, concl. conf.; W. 9482.

765. Eene partij, die uitdrukkelijk weigert eene overeenkomst na te komen, behoeft niet meer tot nakoming dier overeenkomst te worden gesommeerd en ter zake dier niet-nakoming in gebreke te worden gesleld. — Hof Amsterdam 1 April 1912; W. 9404.

766. Bij sommatie tot nakoming eener overeenkomst heeft de gesommeerde er wel recht op, dat hem een termijn worde gelaten, groot genoeg voor het volbrengen der praestatie, die van hem wordt gevorderd, maar aan den anderen kant zal die termijn voor voldoende te houden zijn, wanneer de gesommeerde in staat zou zijn bij buitengewone inspanning en met extra kosten zijne verplichtingen binnen dien termijn na te komen. — Rechtb. Rotterdam 9 December 1908; W. 8941.

767. Ingeval bij overeenkomst is bepaald, dat de kooper aan den verkooper de plaats der levering zal opgeven, dan wordt de verkooper niet in gebreke ge steld door eene sommatie tot levering, waarin echter niet wordt vermeld, waar geleverd moet worden. — Hof Arnhem 13 April 1910; W. 9065.

768. Aan den rechter, niet aan den sommeerenden schuldeischer staat het te beoordeelen, of de schuldenaar bij over-

Sluiten