Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

801. Werkstaking is overmacht bij den patroon, die haar tengevolge een werk niet tijdig kan opleveren. Hierin wordt geen verandering gebracht doordat de patroon lid is van eene patroonsvereeniging en deze door toe te geven aan de eischen der werklieden de staking had kunnen voorkomen. Immers in de eerste plaats is het onredelijk te eischen, dat een werkgever ter voorkoming van werkstaking aan alle eischen der werklieden zal toegeven en in de tweede plaats was in elk geval deze patroon op zichzelf niet bij machte om de patroonsvereeniging tot toegeven te nopen. — Rechtb. Amsterdam 14 Maart 1910; W. 9157. (Zie nos. 144—149 Deel III.)

802. De vraag of werkstaking voor een werkgever tegenover een derde overmacht oplevert, is niet in het algemeen in bevestigenden of ontkennenden zin te beantwoorden, daar dit afhangt van tal van feiten, welke naar de bijzondere omstandigheden moeten worden beoordeeld. — Rechtb. Rotterdam 26 Maart 1913; W. 9512.

803. Staking is geen overmacht, wanneer — zij het ook met hooge kosten en moeilijkheden — de mogelijkheid bestaat om tijdens de staking den te praesteeren arbeid nog te doen verrichten. — Kantong. Amsterdam 5 Mei 1913; R. B. A. IV, 23 en 24.

804. De voldoening eener verbintenis tot levering van sleepkracht wordt door overmacht verhinderd, wanneer na gesloten water bij heropening der vaart een zooveel grooter vraag dan aanbod van sleepkracht bestaat dat deze op een gegeven oogenblik niet tegen redelijken prijs te verkrijgen is. — Hof 's-Gravenhage o Februari 1911; W. 9241.

805. Rijzing van prijzen tengevolge van misgewas is geen overmacht die van de verplichting tot levering ontslaat. — Rechtb. 's-Gravenhage 7 Maart 1912; W. v. N. R. 2212.

806. Het is geen overmacht, wanneer eene levering wordt vertraagd, doordat een vreemdeling het te leveren goed adresseert aan een verkeerden plaatsnaam, terwijl de naam der plaats, waar geleverd moest worden, duidelijk was opgegeven. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 1 December 1911; W. 9360.

807. Een vast goed werd publiek geveild met een tijd van beraad over de aanvaarding van het hoogste bod. Gedurende den termijn van beraad verkocht de verkooper het goed ondershands aan een derde; na omloop van den termijn verzocht hij den notaris in de eerste plaats mede te deelen, dat het goed niet gegund was en in de tweede plaats om een blanco-volmacht tot verkoop en overdracht van het goed afgegeven, te bezigen tot zoodanige overdracht aan voorbedoelden derde, wat de notaris aannam. Toen echter die derde op het bepaalde uur ten kantore van den notaris verscheen, vernam hij daar, dat de notaris, gebruik makende van de blanco-volmacht tot verkoop en transport, het goed aan een ander had verkocht en geleverd. De teleurgestelde derde dagvaardde nu den verkooper tot ontbinding der koopovereenkorhst wegens wanpraestatie, bestaande in niet-levering met schadevergoeding. Terecht verweerde deze zich tegen die vordering, met beroep op overmacht, waardoor hij verhinderd werd te leveren. — Rechtb. Amsterdam 12 Mei 1911; W. 9281; W. v. Not. 375. (Bevest. bij het volgend arr.)

808. Wanneer een verkooper van vaste , goederen een vertrouwden notaris op-

Sluiten