Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om te vorderen èn betaling van den koopprijs èn schadevergoeding wegens het niet aanwijzen der plaats van levering. Deze cumulatie is niet in strijd met art. 1303 B. W. — Rechtb. Rotterdam 11 Mei 1910; W. 9118.

850. Waar wordt geageerd tot ontbinding eener overeenkomst met schadevergoeding door die ontbinding geleden, nader op te maken bij staat, zullen alle essentialia der overeenkomst moeten vaststaan, omdat anders de overeenkomst, welker ontbinding wordt uitgesproken, niet bepaald zou zijn. —Hof's-Gravenhage 25 November 1910; W. 9120.

851. Wanneer gevorderd wordt vergoeding van schade, niet geleden als gevolg van wanpraestatie, maar te lijden als gevolg der ontbinding van de overeenkomst, dan moet die vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, wanneer niet tevens de ontbinding der overeenkomst is gevorderd. — Hof 's-Gravenhage 6 November 1911; W. 9294.

852. De vordering tot ontbinding eener voor eene maatschap gesloten overeenkomst is ondeelbaar en kan daarom met vrucht slechts tegen alle vennooten

worden ingesteld. — H. R. 29 Maart 1912, concl. conf.; W. 9335 ; N. R. CCXX, 530 (met aanteekening van prof. mr. E. M. Meijers in W. 9335).

853. Een eischer, die zijn beweerd recht op schadevergoeding enkel grondt op ontbinding der overeenkomst, moet in die vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, wanneer hij de ontbinding zelve niet heeft gevraagd. — H. R. 21 Juni 1912, concl. conf.; W. 9362 ; N. R. CCXXI, 230.

854. De verkooper, wien bij wanpraestatie van den kooper de keus wordt

gegeven tussclien de actie tot ontbinding en die tot nakoming van de overeenkomst, behoudt die keuze ook na de faillietverklaring van den kooper. — Hof Arnhem 8 Januari 1913; W. 9438.

855. Wanneer meerdere huurders zich verbonden hebben om de huur te voldoen, als eene ondeelbare praestatie, d. w. z. ieder voor het geheel, dan volgt daaruit nog niet, dat nu ook ieder huurder verplicht is om, ingeval van ontbinding der huur op grond van wanpraestatie, nu ook ieder de verschuldigde wanpraestatie als een geheel te betalen. — Hof Amsterdam 30 September 1912; W. v. N. R. 2251.

856. Er wordt niet tegelijk nakoming en ontbinding eener overeenkomst gevorderd, wanneer, nadat pandbeslag voor verschenen huren is gelegd, bij dagvaarding wordt gevorderd ontbinding der betrokken huurovereenkomst met schadevergoeding ten bedrage der verschuldigde huur en als accessoire vordering vanwaardeverklaring van het gelegde pandbeslag. Die laatste vordering kan de principale vordering niet van aard doen veranderen. — Hof Amsterdam 17 Mei 1912;

! W. 9406.

857. Wanneer is overeengekomen, dat eene onafgebroken reeks van inlichtingen zullen worden verschaft voor een bepaalden dag in iedere week, dan is wel de persoon, die de inlichtingen moest ver¬

schaffen, in gebreke, wanneer hij telkens na dien dag de inlichtingen verschaft, maar moet worden aangenomen, dat toch eene vordering tot ontbinding der betrokken overeenkomst niet-ontvankelijk is, wanneer de persoon, aan wie de inlichtingen moesten worden verschaft, zich bij de te late verschaffing daarvan heeft neergelegd, door ze zelf steeds te vragen op den dag na dien, waarop ze

Sluiten