Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8960; P. v. J. 1910, 941; W. v. N. R. 2104; N. R. CCXIV, 14.

882. De oorzaak eener overeenkomst tot betaling van zeker bedrag aan de wederpartij, teneinde deze in de gelegenheid te stellen daaruit de schulden van een derde te voldoen, kan niet gelegen zijn in de gehoudenheid dier tegenpartij om de schulden van dien derde te betalen. — Rechtb. Utrecht 18 October 1911; W. 9260.

883. Ingeval bewezen wordt, dat eene oude bestaande schuld in eene geldleening werd omgezet, dan staat ook de oorzaak dier geldleening vast en behoeft niet nog daarenboven te worden bewezen, dat de oude schuld eene geoorloofde oorzaak had. — Hof 's-Gravenhage 15 Januari 1912; W. 9295.

884. Wanneer een contractant zich verbindt om in handen van zijn medecontractant een zekere som te storten, waartegenover de mede contractant zich verplicht, om die geldsom aan te nemen tot voldoening eener schuld van een derde persoon en tot bestrijding der kosten van een door dezen derde in te stellen hooger beroep, dan ontleent de verbintenis der eene partij tot storting der geldsom haar eigenaardig kenmerk aan de door de wederpartij aangegane verplichting en vindt daarin liaar oorzaak. — H. R. 1 November 1912, concl. conf.; W. 9418; W. v. N. R. 2260; N. R. CCXXII, 67.

Art. 1358.

885. Mr. J. D. Pijper. Pothier en de nietigheid der overeenkomst bij dwaling. — W. v. N. R. 1996.

886. Er is geen dwaling in den persoon, met wien eene overeenkomst is aangegaan, die de nietigheid dier over¬

eenkomst kan tengevolge hebben, wanneer is overeengekomen met eene maatschappij, directeur B, terwijl die maatschappij niet bestaat, maar wel vaststaat, dat de overeenkomst is aangegaan hoofdzakelijk met het oog op de persoonlijkheid van den directeur B. — Kantong. Rotterdam II 29 September 1909; W. 9067.

887. Ingeval van overdracht eener handelszaak is dwaling omtrent het jaarlijksche omzet- en winstcijfer in die zaak bereikt, dwaling omtrent de zelfstandigheid der zaak die de nietigheid der betreffende overeenkomst kan tengevolge hebben. — Rechtb. Utrecht 1 December 1909; W. 9068.

888. Dwaling in de waarde van het voorwerp der overeenkomst maakt deze niet nietig. — Hof's-Gravenhage 17 Juni 1910; W. 9101.

889. Wanneer uit omstandigheden (b.v. den prijs) moet worden afgeleid dat een voorwerp als antiek verkocht is, dan moet, later blijkende, dat het -voorwerp niet antiek is, dwaling in de zelfstandigheid der zaak worden aangenomen. — Rechtb. Utrecht 22 November 1911; W. 9346. (Bevest. door Hof Amsterdam 13 Januari 1913 ; W. 9577.)

890. Wanneer een klok is verkocht en gekocht als een antieke klok en later blijkt, dat de klok niet antiek is, dan kan de kooper op grond van dwaling vernietiging van de koopovereenkomst vorderen. — Rechtb. Utrecht 20 December 1911; W. v. N. R. 2213.

891. In publieke veiling te Londen werden verkocht twee teekeningen van „Rembrandt"; onder de veilingsconditiën was vermeld, dat de verkoopers geen echtheid garandeerden. Een kunsthan-

Sluiten