Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zou eenigen tijd voordat de volledige betaling der kooppenningen zou behoeven plaats te hebben, nochtans eerst bij die betaling, dus eenigen tijd na de levering, door den verkooper wordt gezorgd voor doorhaling van hypotheken, ook van die, eerst na den verkoop gevestigd. — Hof Amsterdam 26 Mei 1913; W. v. N. R. 2284.

Art. 1530.

1112. Ingeval eene vordering tot vrijwaring steunt op het beweerde bestaan een er erfdienstbaarheid, voortspruitende uit eene overeenkomst door den verkooper met een derde aangegaan, dan moet worden aangenomen, dat de gestelde vrijwaringsplicht voortspruit

uit eene daad door den verkooper zelf verricht, zoodat deze tot vrijwaring gehouden zal zijn, ondanks het beding van het tegendeel. — Rechtb. 's Gravenhage 26 Januari 1912; W. 9455; W. v. Not. 398.

Art. 1532.

1113. Het recht op schadevergoeding omschreven in art. 1532 B. W. sub 4°. draagt kennelijk een subsidiair karakter en bevat de schade, welke niet kan worden begrepen onder de rubrieken genoemd in art. 1532 sub 1, 2 en 3. — Rechtb. Amsterdam 19 Januari 1912; W. 9548.

1114. De bepalingen van artt. 1527 en 1532 B. W. maken voor elke vordering tot schadevergoeding op grond van vrijwaring het stellen van den koopprijs noodzakelijk. — Hof Amsterdam 20 Maart 1913 (met bevest Rechtb. aldaar 19 Januari 1912); W. 9548.

Art. 1538.

1115. Art. 1538 B. W. mag niet ana-

logice worden toegepast op het geval, dat het verkochte vast goed met hypotheken is bezwaard. — Rechtb. Utrecht 7 Februari 1912; W. 9400. (Zie nos. 1683 en 1686 Deel III).

1116. Het is de bedoeling van den wetgever geweest bij de vaststelling van art. 1538 B. W. niet alleen de wijze van vrijwaring te regelen, maar ook de vrijwaring uit te sluiten voor erfdienstbaarheden, waarvan de kooper kennis kan

; dragen. Dit laatste moet worden aangenomen voor erfdienstbaarheden die in de openbare registers zijn ingeschreven. — Rechtb. 's-Gravenhage 26 Januari 1912; W. v. N. R. 2201 (verniet, bij volgend arr. Hof aldaar). (Zie nos. 1690 en 1691 Deel- III).

1117. De verkooper moet den kooper vrijwaren ter zake van het bestaan van eene erfdienstbaarheid van welker bestaan hij den kooper niet heeft onderricht ; de kooper behoeft niet zelf op het kadaster te onderzoeken of wellicht erfdienstbaarheden ten laste van het perceel zijn ingeschreven. — Hof 's-Gravenhage 30 December 1912; W. 9455; W. v. Not. 398 (verniet, bij het volgend arr. H. R.).

1118. Ten aanzien der vrijwaring ter zake van het bestaan van erfdienstbaarheden treedt de bijzondere bepaling van art. 1538 B. W. voor den algemeenen regel van art. 1528 B W. in de plaats en behoort die bepaling met terzijdestelling van laatstgenoemd artikel te worden toegepast. Ingevolge het aangehaalde art. 1538 B. W. wordt èn voor de vordering tot vernietiging der overeenkomst èn voor de vordering tot schadevergoeding gevorderd, dat de kooper van het bestaan der erfdienstbaarheid geen kennis kon dragen. Dit nu is niet het geval als de kooper door inzage van

Sluiten