Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verplichting om den eigenaar in het gehuurde toe te laten, opdat deze zich kan overtuigen, dat de werkzaamheden naar behooren geschieden, terwijl er in het algemeen ook geen reden is den eigenaar het recht te ontzeggen zich daarbij door een ander persoon te doen vertegenwoordigen. Dit neemt echter niet weg, dat er zich omstandigheden kunnen voordoen, waaronder weigering van toegang toch niet als eene wanpraestatie des huurders is te beschouwen. — Hof 's-Gravenhage 20 Mei 1912; W. 9423.

Art. 1592.

1179. De verhuurder is niet tegenover den huurder gebonden wegens onrechtmatige handelingen door den rechtsvoorganger des verhuurders jegens den huurder gepleegd. — Rechtb Zutfen 18 Mei 1911 ; W. 9246.

1180. Een verhuurder is niet gehouden den huurder schadeloos te houden voor feitelijkheden ten aanzien van een gehuurd huis (bewoning van een gedeelte daarvan) door een derde gepleegd, die wel vroeger in dienst van den verhuurder was en door die dienstbetrekking in het gehuurde kwam, maar wiens dienstbetrekking reeds lang is geëindigd en die dan ook na het einde dier dienstbetrekking geheel onrechtmatig in het huis blijft. — Hof Amsterdam 3 November 1911 ; W. 9299.

Art. 1595.

1181. Wanneer de eerste huurder in strijd met het hoofdcontract en dus zonder eenig recht het gehuurde toch in onderhuur geeft, kan de oorspronkelijke verhuurder onverschillig of hij al dan niet eigenaar is, aan die onderhuur een einde maken, ook zonder eerst het hoofdcontract te laten vernietigen. Art. 1595

B. W. dwingt niet tot verwerping dier stelling. — Hof 's-Hertogen bosch 21 Januari 1914; W. 9603.

Art. 159G, 1°.

1182 Iemand, die een huis, waarin een kappersbedrijf wordt uitgeoefend, huurt als zoodanig, is ook verplicht om in dat huis gedurende den geheelen huurtijd een kappersbedrijf uit te oefenen. Hij kan niet volstaan met het — na ontruiming van het huis voor het overige — op enkele uren van den dag gelegenheid geven om in dat huis te laten scheren, knippen en kappen. — Hof Amsterdam 10 Maart 1911; W. 9223.

Art. 1597.

1183. Wanneer bij het aangaan eener huurovereenkomst door den huurder in handen van den verhuurder eene waarborgsom is gestort met bepaling, dat zij niet in vergelijking mag worden gebracht met een uit de huurovereenkomst voor den huurder jegens den verhuurder voortvloeiende schuld en te dien aanzien de wettelijke bepalingen over schuldvergelijking buiten toepassing worden gesteld, dan zal — bij toewijzing eener vordering tot ontbinding der huurovereenkomst met schadevergoeding — de rechter bij vaststelling van het bedrag der schadevergoeding ook geen rekening mogen houden met de gestorte waarborgsom. — Hof Amsterdam 12 Mei 1912; W. 9106.

Art. 1600.

1184. Wanneer de aan een leegstaand huurhuis toegebrachte schade een gevolg is van inbraak, kan van schuld van den huurder in den zin van artt. 1600 en 1602 B. W. niet worden gesproken ; evenmin in dit geval van gebrek aan

Sluiten