Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verhuurd onroerend goed de kooper den huurder tot ontruiming aanspreekt op grond der verzekering, dat de huurder zonder recht op het goed zit, dan kan die huurder zijn oorspronkelijken verhuurder — verkooper in het geding — oproepen om hem voor de gevolgen dier verzekering aan den kooper te vrijwaren. Die vrijwaringsplicht betreft echter niet het rustig genot van het gehuurde, immers de vrijwaringsplicht te dier zake

is, zoo de huur nog bestaat, overgegaan op den kooper. - Rechtb. Utrecht 13 December 1911; W. 9528.

1193. Art. 1612 B. W. moet in dien zin worden opgevat, dat door verkoop van het verhuurde, tenzij het tegendeel is bedongen, de rechten en de verplichtingen van den verhuurder van rechtswege overgaan op den kooper, even alsof deze onder algemeenen titel aan den verkooper opvolgde. De beteekening van art. 668, al. 2 B. W. is in dit geval dan ook onnoodig. — Rechtb. 's-Gravenhage 20 Februari 1912; W. v. N. R. 2205. (Zie nos. 2193 -2198 Deel III).

1194. De kooper van verhuurd goed kan tegenover den huurder van dat goed geen actie gronden op wanbetaling van huurpenningen aan den vroegeren eigenaar-verhuurder verschuldigd. — Kantong. Enschedé 4 April 1912; W. 9349. (Zie no. 2201 Deel III.)

1195. Wijl koop huur niet breekt, verbindt de eigenaar of bezitter van een huis en erf door zijne goederen te verhuren of de bestaande huur er van stilzwijgend te verlengen, zich ook voor zijne rechtverkrijgenden in eigendom of bezit dier goederen krachtens koop of levering. — Rechtb. Utrecht 28 Februari 1912; W. 9528.

1196. Eene beteekening der over¬

dracht is niet noodig om den kooper tegenover den huurder in het volle genot zijner rechten te brengen.

Ook al zou uit de huurovereenkomst blijken, dat de huurder het recht had om ook bij onderhandschen verkoop het perceel voor den geboden prijs te naasten, staat dit recht aan de ontvankelijkheid van de vordering tot ontruiming door den kooper ingesteld, niet in den weg. — Kantong. Enschedé 5 Juni 1913; W. 9499; W. v. Not. 413.

1197. Ondanks den verkoop van het gehuurde gaat het recht op de ontvangst der huurpenningen niet op den nieuwen eigenaar van het gehuurde over, indien de kooper en de verkooper zijn overeengekomen, dat de verkooper dat recht behouden zal. Ts dit laatste geschied, dan is de verkoopef in zijne vordering

tegen den huurder ontvankelijk. — Rechtb. Utrecht 29 April 1914; W. 9634.

Art. 1623.

1198. Onjuist is de bewering, dat

art. 1623 B. W. — behalve een voor¬

schrift van tijdige opzegging overeenkomstig het plaatselijk gebruik — zou behelzen eene verwijzing naar de plaatselijke verhuisdagen. Immers het artikel bedoelt wel degelijk ook den duur der nieuwe huur te regelen. — Rechtb. Rotterdam 28 November 1910; W. 9165.

1199. Tegenover het feit, dat een huurder van een bovenhuis na omloop der schriftelijk aangegane huur in het gehuurde is blijven wonen, moet een huurder, die beweert dat dit blijven wonen krachtens eene nieuwe overeenkomst heeft plaats gehad, van die bewering het bewijs leveren. — Rechtb. Amsterdam 15 April 1912; W. 9374.

Art. 1625.

1200. De vordering van art. 1625

Sluiten