Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Rechtb. Middelburg 25 Mei 1910; W. 9276; W. v. Not. 350. (Zie nos. 2278 en 2779 Deel III.)

1209. Art. 1633. B. W. bevat een wettelijk vermoeden, dat de mondelinge huur van de daar bedoelde gronden voor een jaar is aangegaan. Derhalve behoeft hij, die zich ter verwering tegen eene revindicatie op een dergelijke jaarhuur beroept, deze ingeval van ontkentenis niet te bewijzen; de bewijslast rust op de tegenpartij, die beweert, dat de huur niet van jaar tot jaar, maar bij de maand is aangegaan. — Rechtb. Utrecht 9 October 1912; W. 9401.

Art. 1637a.

1210. Een bakerscontract is geen arbeidsovereenkomst in den zin van art. I6b7a B. W. — Kantong. Rotterdam I 26 October 1910; R B. A. II, 23.

Naar aanleiding van dit vonnis mr. II. Kingma Boltjes. Het bakerscontract beschouwd als eene arbeidsovereenkomst.

— R. B. A. III, 7.

1211. Ook de overeenkomst van een onderwijzer tot het geven van privaat onderricht aan een leerling is eene arbeidsovereenkomst in den zin van art. 1637a B. W. — Kantong. Alkmaar s. d.; W. 9165.

1212. De overeenkomst tusschen een vrachtrijder van beroep en een ander, bekend met het organiseeren eener kermesse d'été, waarbij de eerste aan den laatste opdraagt op eene voor de paarden des eersten gehuurde weide zoodanige kermis te organiseeren, is geene arbeidsovereenkomst. — Kantong. Rotterdam I 19 October 1910; R. B. A. II, 24/25.

1213. De rechtsbetrekking tusschen eene handelszaak in Duitschland en

haren vertegenwoordiger hier te lande is geene arbeidsovereenkomst. — Rechtb. Leeuwarden 22 December 1910 ;R. B. A. III, 9.

1214. De overeenkomst tusschen een koffiehuisbediende en zijn patroon is eene arbeidsovereenkomst in den zin van art. 1637a B. W. Het krachtens gewoonte op het middaguur aan den bediende verschafte eten en drinken, moet geacht worden deel van diens loon uit te maken. Kantong. Amsterdam 28 Februari 1911; R. B. A. III, 10.

1215. De overeenkomst, waarbij een koopman in landbouwproducten aan een commissionnair opdraagt en deze op zich neemt om overeenkomsten met landbouwers te sluiten voor het bezaaien van land met ajuin en het leveren der opbrengst daarvan tegen vastgestelden prijs, en voorts om te zorgen voor het binnenhalen en verzenden van den oogst, is geen arbeidsovereenkomst; de commissionair treedt in dat geval op als vertegenwoordiger of agent van den koopman en dus als lasthebber. — Rechtb. Zierikzee 7 November 1911; W. 9343.

1216. De aard der geheele overeenkomst en niet van één in de dagvaarding

woordelijk voorkomend beding is beslissend voor de beantwoording der vraag of die overeenkomst is eene arbeidsovereenkomst. — Hof 's-üravenhage 3 Januari 1912; W. 9366; R. B. A. IV, 19 en 20.

1217. Het lid der technische commissie eener coöperatieve vereeniging, die werkzaamheden van controleerenden en adviseerenden aard moet verrichten en daarvoor een honorarium ontvangt, heeft met de coöperatieve vereeniging geen arbeidsovereenkomst gesloten, daar tusschen partijen geen gezagsverhouding

Sluiten