Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 1639o.

135]. Wanneer aan eene maatschappij het recht toekomt om haren administrateur ieder oogenblik zonder opgaaf van redenen te ontslaan, dan wordt zoodanig zonder opzegging gegeven ontslag niet onwettig doordat de maatschappij daarvoor eene reden opgeeft. Hierin wordt geen verandering gebracht doordat de opgegeven reden valsch was, daargelaten nog, dat in ieder geval de administrateur zou hebben te bewijzen dat de opgegeven reden valsch was. — Hof

's-Gravenhage 10 Maart 1911; W. 9215.

1352. Na het onrechtmatig doen eindigen der arbeidsovereenkomst door de eene partij, heeft de andere partij uitsluitend eene vordering tot schadevergoeding en in het bijzonder geene vordering tot betaling van loon en vergoeding voor gederfden kost en inwoning. — Kantong. Amsterdam III 15 December 1910; R. B. A. III, 2 en 3.

M

1353. Op een eenmaal gegeven ontslag kan niet eenzijdig worden teruggekomen, ook al was het ontslag onrechtmatig. — Kantong. Zaandam 16 November 1911; R. B. A. III, 18. (Zie no. 2440 Deel III.)

1354. De werkgever, die den arbeider met een termijn van zes weken opzegt, kan, indien de onrechtmatigheid van dit ontslag beweerd wordt, zich te zijner rechtvaardiging niet op eene dringende reden beroepen, omdat volgens de bedoeling der wet de gebeurtenissen van het ontstaan der dringende reden, van de beëindiging der dienstbetrekking en van de mededeeling dier reden aan de wederpartij, elkander binnen zeer korten tijd moeten opvolgen. — Kantong. Amsterdam 1 Maart 1912; R. B. A. III, 24 en 25.

1355. Ter rechtvaardiging van een ontijdig ontslag kan de werkgever zich niet beroepen op eene dringende reden, den werknemer niet bij het ontslag medegedeeld. — Kantong. Amsterdam 16 April 1912; R. B. A. IV, 3.

1356. Alleen aan den rechter is de beoordeeling overgelaten of er een dringende reden in den zin der artt. 1639o, 1639p en 1639g B. W. aanwezig is; aan partijen is geen vrijheid gelaten om daaromtrent eene bindende overeenkomst aan te gaan; immers zoodanig geding wordt in de artt. 1639p en 1639g in fine nietig verklaard. — Kantong. Breda 24 April 1912; R. B. A. IV, 1 en 2.

1357. Iemand, die zijne affaire staakt en dientengevolge de hulp zijner bedienden niet meer behoeft, doet feitelijk de overeenkomst zonder opzegging eindigen en is dus de voor dat geval vastgestelde schadevergoeding verschuldigd. — Rechtb. Amsterdam 28 October 1910; W. 9196.

1358. Nergens in de wet wordt aan den arbeider de verplichting opgelegd om bijaldien hem door een werkgever de dienst wordt opgezegd, tegen dat ontslag te protesteeren, wil niet zijn recht op schadevergoeding wegens onrechtmatig ontslag voor hem verloren gaan. — Rechtb. Amsterdam 28 November 1910; W. 9220.

1359. Eene dringende reden tot beëindiging eener dienstbetrekking kan slechts gelegen zijn in eenige gedraging der wederpartij, dus nimmer in bedrei¬

gingen door mede-arbeiders. — Kantong. Enschedé Februari 1911; W. 9165; R. B. A. III, 1.

1360. De aanzegging aan een werknemer door den werkgever: „indien gij

Sluiten