Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet beter werkt zal ik u ontslaan", houdt niet in eene opzegging der bestaande arbeidsovereenkomst. — Kantong. Amsterdam 5 September 1911 ; R. B. A. III, 16.

1362. Niet-toelating eener dienstbode in het huis waarin zij hare diensten moet praesteeren, levert op het doen eindigen der dienstbetrekking. — Kantong. Deventer 2 Mei 1911 ; R. B. A. III, 8.

1363. De dringende reden behoeft niet steeds nauwkeurig omschreven aan de wederpartij medegedeeld te worden; voldoende zijn ook zoodanige uitdrukkingen, die niet den minsten twijfel laten waarom de dienstbetrekking beeindigd wordt. — Kantong. Haarlem 21 Juli 1911; R. B. A. IV, 15 en 16.

1364. Den werkgever, die aan het hoofd staat van zijn uitgebreid bedrijf met een zeer talrijk personeel en die niet elke aangelegenheid steeds dadelijk onder de oogen kan zien en behandelen, moet een behoorlijke tijd van beraad gelaten worden tot het geven van ontslag om dringende redenen. — Rechtb. Amsterdam 8 Januari 1912; W. 9385; R. B. A. IV, 19 en 20.

1365! In het wezen der dringende reden ligt opgesloten, dat een daarop gegrond ontslag slechts rechtmatig kan worden gegeven gedurende zeer korten tijd nadat het feit dat als dringende reden wordt aangewezen, heeft plaats gehad of nadat het ter kennis van den werkgever is gekomen, derhalve niet na verloop van eenige maanden. — Kantong. Maastricht 16 Februari 1912; R. B. A. IV, 13 en 14.

1366. Wanneer de feiten, op grond

waarvan een arbeider op staanden voet

ontslagen wordt, den werkgever reeds eenigen tijd vóór het ontslag bekend

zijn geweest en hij desniettemin de dienstbetrekking heeft doen voortduren, dan blijkt er geen onmiddellijke noodzakelijkheid te hebben bestaan, om zonder rechterlijke tusschenkomst de dienstbetrekking te doen eindigen. — Kantong. Rotterdam 1 April 1912; R. B. A. IV, 19 en 20.

1367. Het door den arbeider ondanks herbaalde waarschuwing te laat op het werk komen, is een dringende reden, als in het slot van art. 1639o B. W. bedoeld en in art. 1639p nader omschreven.

Art. 1639o laat de opzeggende partij vrij om zelf te bepalen, wanneer het ontslag zal ingaan, hetzij op staanden voet, hetzij later, zoodat het stellen van een termijn van zes weken niet is uitgesloten.

Genoemd artikel zegt wel, dat de daar bedoelde reden onverwijld moet worden medegedeeld, doch niet, dat de opzeg| ging moet strekken tot onverwijlde beëindiging van de dienstbetrekking.

Het door den werkgever — na verloop van den bij de opzegging gestelden termijn van zes weken — nog eens uitdrukkelijk herhaald ontslag, schept geen nieuwe verhouding tusschen partijen, doch is slechts zijne bevestiging van de vroegere door de opzegging gedane wilsverklaring, dat hij niet in de tekortkoming van den arbeider berust. Het geven van gemeld uitstel toont niet dat de opgegeven reden niet „dringend" is. — Rechtb. Amsterdam 25 November 1912; W. 9449; R. B. A. V, 7 en 8.

1368. Ook wanneer de dienstbetrekking door den werkgever onrechtmatig wordt beëindigd, houdt het vrije gebruik eener woning, waarop de arbeider als deel van zijn loon recht had, op. —

Sluiten