Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kantong. Rotterdam 30 September 1912 ; R. B. A. IV, 25 en 26; Kantong. Amsterdam 10 December 1912; R. B. A. IV, 23 en 24.

1369. Een dienstbode, die, voorgevende ziek te zijn, na afloop van een vacantie niet wederom in haren dienst komt, moet worden geacht de dienstbetrekking onrechtmatig te hebben verbroken, wanneer zij ten bewijze dat zij tot arbeiden verhinderd was, slechts kan overleggen een briefje van een dokter, waarin niets meer staat, dan dat zij bij hem in behandeling is. — Kantong. Amsterdam 22 Augustus 1913; R. B. A. V, 3 en 4.

1370. Het staat den werkgever niet vrij op grond van een dringende reden de arbeidsovereenkomst eerst na verloop van een door hem te bepalen tijd te doen eindigen. — H. R. 14 November 1913, concl. conf.; W. 9562 en 9571; R. B. A. V, 9 en 10.

1371. De partij bij eene arbeidsovereenkomst, die op grond van een onrechtmatige dienstbeëindiging een schadeloosstelling vordert, behoeft slechts de arbeidsovereenkomst en de beëindiging zonder inachtneming van de voor opzegging geldende bepalingen te bewijzen. Zij behoeft niet te bewijzen, dat zij niet in de beëindiging heeft toegestemd. — H. R. 14 November 1913, concl. conf.; W. 9571 ; R. B. A. V, 9 en 10.

1372. Voor de beoordeeling der vraag of eene handeling van een arbeider eene dienstverbreking oplevert, is van geen invloed, dat de werkgever van te voren den arbeider heeft gewaarschuwd dat hij de handeling als zoodanig zou beschouwen. — Kantong. Amsterdam 13 September 1912; R. B. A. V, 7 en 8.

1373. Zoolang de arbeider nog niet i

in dienst is getreden, kan een arbeidsovereenkomst niet eenzijdig krachtens art. 1639o beëindigd worden. — Kantong. Leeuwarden 1 Juni 1912; R. B. A. V, 11 en 12; Kantong. Amsterdam 17 Mei 1912; R. B. A. III, 26; Kantong. Amsterdam 21 Maart 1912; R. B. A. III, 24 en 25.

1374. De arbeider, die voor bepaalden tijd is gehuurd, doch zonder redenen wordt afgezegd door den patroon, vóórdat hij inderdaad in dienst is getreden, moet niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn eisch tot schadeloosstelling, indien deze is gebaseerd op art. 1639o j°. 1639r B. W. — Rechtb. Leeuwarden 15 Januari 1914; R. B. A. V, 11 en 12 (met verniet. Kantong. Dokkum 26 Maart 1913; R. B. A. V, 11 en 12).

1375. De reden van beëindiging der dienstbetrekking kan in den zin van art. 1639o B. W. niet worden geacht

„onverwijld" te zijn medegedeeld wanneer dit geschiedt bij brief twee dagen na het ontslag aan den ontslagene toegezonden. — Rechtb. Zutfen 12 Juni 1913; W. 9528.

Art. 1639/1.

1376. Mr. J. H. de Vries. Quousque tandem ! (S. ontkent het recht van staking en schrijft o a.: „Hij, die midden in het werk zijn arbeid neerlegt zonder het bepaalde van art. 1639o in acht te nemen, handelt onrechtmatig. Met inachtneming van den opzeggingstermijn mag het werk neergelegd worden. Het onwettig karakter van staking krijgt het feit, als juist de bedoeling is van den arbeider om het neergelegde werk niet op te geven en om door dwangmaatregelen invloed uit te oefenen op het weer in dienst komen tegen andere voorwaarden met wering van anderen"). — W. 9178.

Sluiten