Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1377. Waar de werkstaking in de eerste en voornaamste plaats beoogde lotsverbetering der werklieden in de

typografische vakken te Amsterdam, ' zijnde een uit moreel en sociaal oogpunt te rechtvaardigen doel, gelet op de wegens de te Amsterdam in de laatste jaren steeds stijgende woninghuren, betrekkelijk lage loonen en gelet op het feit, dat ongeveer 30 drukkerspatroons vrijwillig aan de verlangens der werklieden hadden toegegeven, leverde de werkstaking voor de patroons niet op een drin gende reden in den zin der wet tot ontslag op staanden voet. — Kantong. Amsterdam 21 Februari 1913 ; W. 9428; R. B. A. IV, 17 en 18.

1378. Naar aanleiding van gemeld vonnis Kantong. Amsterdam:

Mr. W. de Gavere. Rechter tegenover arbeidsovereenkomst en werkstaking. — W. 9434 en 9444.

Mr. J. H. Scholten. Een onjuiste critiek. — W. 9439 en 9445.

Mr. J. H. Worst. Een onjuiste critiek? — W. 9442.

Prof. mr. E. M. Meijers. Staking als dringende reden. (S. meent dat de middenweg, dien de Kantonrechter heeft ge¬

volgd, ae juiste is, n.i. aai men staong niet steeds als dringende reden tot ontslag kan aanmerken, maar haar evenmin nimmer als zoodanig kan beschouwen.) — R. B. A. IV, 19 en 20.

1379. Een werkstaking levert voor den werkgever in het algemeen een dringende reden op om de tusschen hem en de stakers bestaande dienstbetrekking onmiddellijk te doen eindigen; slechts dan is dit niet het geval: 1°. wanneer de staking is veroorzaakt door een ergerlijke misdraging van den werkgever zelf, mits die ergerlijke misdraging voor den arbeider niet tevens eene dringende reden opleverde om zijner¬

zijds de dienstbetrekking onmiddellijk te beëindigen; 2°. wanneer de werkstaking den werkgever zoo vroegtijdig is aangezegd, dat deze zijne arbeiders nog voordat de staking een aanvang zou nemen, met den opzeggingstermijn kon ontslaan. Door een ontslagen arbeider een gunstig getuigschrift te geven en eenige weken na het ontslag wederom in dienst te nemen, verliest de werkgever niet zijn door het ontslag verkregen recht tot het vorderen eener schadeloosstelling. — Kantong. Amsterdam 28 Juni 1913; W. 9486; R. B. A. IV, 25 en 26.

1380. Het feit, dat een arbeider is weggebleven en geen werk meer voor zijn werkgever heeft verricht, levert slechts dan een dringende reden tot onmiddellijk ontslag op, wanneer het wegblijven het gevolg is van opzet of schuld van den arbeider. — Kantong. Schagen 11 September 1911; R. B. A. IV, 11 en 12.

1381. Een koetsier, die iemand overrijdt en vervolgens doorrijdt zonder naar de gevolgen van het door hem veroorzaakte ongeval om te zien, geeft blijk

van een zoodanige ruwheid van zeden, gebrek aan plichtsgevoel en onbekwaamheid voor en onbetrouwbaarheid in zijn vak, dat de werkgever alleszins recht heeft, hem reeds op die gronden terstond te ontslaan. — Kantong. Amsterdam II 7 Juni 1909; R. B. A. II, 23.

1382. De weigering van een arbeider, die reeds eenige dagen gestaakt heeft, om te voldoen aan een' uitdrukkelijk en schriftelijk door zijn werkgever gegeven opdracht, om de werkzaamheden i e verrichte^, die hij tot dusver had verricht, moet worden beschouwd als eene hardnekkige weigering om aan eene redelijke opdracht te voldoen en levert dus voor

Sluiten