Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ning van eene verbintenis uit weddenschap gesproten, te verkrijgen, die verbintenis om de winst te betalen omzet in eene verbintenis om een wissel, die werd geschapen om de weddenschapswinst te innen, en dan tracht door het instellen van de wisselrechtelijke vordering voldoening aan de verbintenis in rechten af te dwingen, dan handelt men in strijd met hetgeen de wetgever in art. 1827 B. W. heeft verboden. Immers het accepteeren van den wissel is niet gelijk te stellen met de betaling van de schuld uit de weddenschappen gesproten, omdat in werkelijkheid betaling is het voldoen aan de verbintenis, zoodat deze wordt gedelgd en de acceptatie slechts is eene betalingsbelofte, evengoed als de verbintenis tot welker voldoening de betaling van den wissel zou strekken eene betalingsbelofte bevatte. — Hof 's-Gravenhage 19 Juni 1911; W. 9259.

1488. De materieele oorzaak (speelschuld) van het ontstaan van de aan eigen order getrokken wisselschuld kan nimmer door den acceptant aan den nemer worden tegengeworpen, welke acceptant alleen krachtens de formeele wisselverbintenis tegenover den nemer verbonden is; hieruit volgt a fortiori, dat des acceptants krank zinnigheid tijdens het aangaan der speelschuld evenmin aan den nemer kan worden tegengeworpen. — Rechtb.'s-Gravenhage 28 December 1911 ; W. 9475. (Bevest. bij het volgende arr. Hof aldaar.)

1489. De wet ontzegt voor de inning van speelschuld eene rechtsvordering, maar verbiedt niet het vragen van betaling van zoodanige schuld; mitsdien kan het trekken of endosseeren van een wissel, getrokken om betaling eener speelschuld te verkrijgen, niet zijn eene onrechtmatige daad. — Hof's-Gravenhage 30 December 1912 ; W. 9463 ; W. v. N. R. 2252.

1490. De trekker van een wissel aan eigen order heeft wel als nemer-houder van dien wissel eene wisselrechtelijke vordering, maar de acceptant van dien wissel is gerechtigd zich tegen die vordering te verdedigen door een beroep te doen op de omstandigheid, dat de wissel is getrokken om- te innen eene schuld, bestaande uit de winst, bij spel of weddenschap gemaakt, daar de invordering dezer betaling door de wet is verboden en ook dan, wanneer men dit door novatie of openbare wijze tracht te ontduiken; de vordering op die novatie gegrond krachtens de bepalingen van artt. 1825, 1827 B. W. en art. 14 A. B. is verboden. — Hof 's-Gravenhage 30 December 1912; W. 9463; W. v. N. R. 2252.

Art. 1829.

1491. Florence Yzenhoed Grevelink. Lastgeving en machtiging, proeve van rechtsvergelijking. — Ac. Pr. Amsterdam 1910. Beoord. door mr. H. A. van Nierop in W. 9264; door Prof. mr. H. L. Drucker in R. M. XXX, 644.

1492. Prof. mr. J. C. Naber. Volmacht en lastgeving. — § 1. Inleidende beschouwingen ; W. v. Not-. 361 en 362. § 2. Begripsbepaling der volmacht; W. v. Not. 362, 363 en 267. § 3. De verleening der volmacht; W. v. Not. 368, 369 en 373. § 4. Delegatie der verleende volmacht; W. v. Not. 373 en 374. § 5. Beëindiging der volmacht; W. v. Not. 374, 383, 384 en 385. § 6. Het begrip van lastgeving; W. v. Not. 386.

1493. Mr. H. A. van Nierop. Vertegenwoordiging en volmacht. § 1. De machtiging. § 2. Omvang der volmacht. § 3. Einde der volmacht. — R. M. XXXIII, afl. 1 en 2.

1494. Degene, die eens anders paar-

Sluiten