Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alle verplichtingen die de andere schuldenaar op zich nam, is partij bij de betrokken overeenkomst en geen borg van zijn mede-schuldenaar. — Hof Amsterdam 22 April 1912; W. 9428.

1511. Men kan zich niet tegelijk èn als borg èn als hoofdelijke debiteur verbinden. Is dit in eene schriftelijke akte niettemin geschied, dan behoort de Rechter te onderzoeken of de verbondene zich als borg dan wel als hoofdelijke schuldenaar verbonden heeft. Beslissing, dat hij zich in het aan 's Rechters oordeel onderworpen geval als borg verbond en de uitdrukking „hoofdelijke debiteur" alleen werd gebezigd om de hoofdelijkheid van den borgtocht beter te doen uitkomen. — Hof 's-Gravenhage 10 Maart 1913; W. 9443; W. v. N. R. 2262.

Art. 1858.

1512. Wanneer iemand borg is gebleven voor den beheerder eener fabriek ter zake van diens richtig beheer, dan is die borg niet aansprakelijk voor de gevolgen van een niet richtige wijze van beheeren, die met medeweten en goedvinden der belanghebbenden is gevolgd. — Rechtb. Leeuwarden 23 Mei 1912; W. 9407.

Art. 1859.

1513. De borg, die zich verbindt om ten aanzien van het bedrag, waarvoor hij aansprakelijk zal kunnen worden gesteld, zich te gedragen aan hetgeen de boeken van den schuldeischer uitwijzen, dat de ~ hoofdschuldenaar hem schuldig is, verbindt zich niet tot meer of onder meer bezwarende voorwaarden dan de hoofdschuldenaar. — H. R. 21 Februari 1913, concl. conf.; W. 9492; W. v. Not. 411.

1514. Wanneer in de akte van borgtocht is bepaald, dat ten opzichte van het bedrag der vordering de borg zich zal gedragen naar en genoegen zal nemen met de boeken van den schuldeischer, dan kan tegenover den borg het bedrag der schuld door de boeken van den schuldeischer worden bewezen, ook al zou dat bewijs tegen den schuldenaar niet zijn toegelaten. — Rechtb. Amsterdam 11 April 1910; W. 9182; W. v. Not. 338.

Art. 1863.

1515. De schuldeischer is niet verplicht de erfgenamen van den borg in kennis te stellen met het bestaan van den borgtocht. — Rechtb. Rotterdam 3 Maart 1911; W. 9254; W. v. N. R. 2198; W. v. Not. 334.

1516. Er is geen schuldvermenging waardoor borgtocht te niet gaat, wanneer de schuldenaar erfgenaam wordt van den borg; de mede-erfgenamen blijven dan voor hun evenredig deel aan den schuldeischer verbonden. — Rechtb. Rotterdam 3 Maart 1911; W. 9254; W. v. N. R. 2198; W. v. Not. 334.

1517. De verplichtingen van den borg gaan over op zijne erfgenamen en van deze weer op hunne erfgenamen. — Rechtb. Rotterdam 3 Maart 1911; W. 9254; W. v. N. R. 2198; W. v. Not. 334.

1518. Hij, die zich als borg verbindt voor schulden, welke een ander zoude aangaan, stelt zich borg voor toekomstige schulden van dien ander. Na zijn overlijden geldt hetzelfde voor zijne erfgenamen, hetgeen bovendien nog volgt uit art. 1863 B. W.

Crediet-borgtocht geldt dus niet enkel voor die schulden van den hoofdschuldenaar, welke nog tijdens het leven van

Sluiten