Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot de leer van het middellijk bewijs.

— W. v. N. R. 2290 en 2291.

1536. Wanneer tegenover eene vordering tot schadevergoeding wel de aansprakelijkheid des gedaagden is ontkend, maar niet het nauwkeurig gespecificeerde bedrag der gevorderde schade, dan mag de eischer ook niet met het bewijs van dat bedrag belast worden, maar moet dat bedrag als vaststaand worden aangenomen. — Hof Amsterdam 29 Juni 1911; W. 9276.

1537. Tot bewijs van historische toestanden kan beroep worden gedaan op het gezag van schrijvers, die ten hunnen tijde bestaande toestanden beschrijven, ook al noemen zij geen bronnen, vooral nu niet blijkt, dat ook maar een enkel schrijver zich tegen hunne voorstelling heeft gekant of eene andere voorstelling heeft gegeven. — Hof 's-Hertogenbosch 24 September 1912; W. 9383.

1538. Wanneer een vorderingsrecht feitelijk vaststaat, dan moeten meerdere afbetalingen als worden toegewezen, worden bewezen door dengen e, die ze beweert. — Rechtb. Rotterdam 3 Januari 1913; W. 9525; W. v. N. R. 2253.

1539. Wie het bestaan eener overeenkomst om een geschil aan het oordeel van scheidslieden te onderwerpen, beweert, moet die overeenkomst bewijzen.

— H. R. 21 Februari 1913, concl. conf.; W. 9481.

Art. 1904.

1540. De rechter heeft zelfstandig te onderzoeken of en in hoever eene overgelegde akte, waarop eene partij zich tot staving van een ontkend recht beroept, tot bewijs van dat recht kan strekken, zulks onafhankelijk van de

uitlegging, door partijen aan den inhoud dier akte te geven. — H. R. 22 Maart 1912, concl. conf.; W. 9332.

Art. 1905.

1541. Naar onze wet behoort niet tot het wezen, eener authentieke akte, dat de partij daarbij slechts kan vertegenwoordigd worden door een bij authentieke akte gevolmachtigde. — Hof 's-Gravénhage 8 November 1912; W. v. N. R. 2244.

1542. Een postwissel-re^u is een authentieke akte. — H. M. G. 8 April 1913; M. R. T. VIII, 424.

1543. Een deurwaarders-exploit is geen authentieke" akte ten aanzien van het daarin vermelden van het antwoord, door den geïnsinueerde aan den deurwaarder gegeven. Immers het behoort niet tot de bij de wet aan de deurwaarders opgedragen werkzaamheden om bij een exploit, houdende gerechtelijk aanbod van het door den geïnsinueerde gegeven antwoord te doen blijken. — Hof Amsterdam 26 Februari 1912 ; W. 9465.

Art. 1907.

1544. Tegen een door partijen ten overstaan van den notaris afgelegde en in eene authentieke akte opgenomen verklaring omtrent eene handeling, die door den notaris zelf niet is waargenomen, is, zonder betichting van valschheid, tegenbewijs toegelaten, echter krachtens art. 1934 B. W. niet door getuig:n. — Rechtb. 's-Gravenhage 30 April 1912; W. v. N. R. 2214.

Art. 1908.

1545. De erkenning der geldleening in de akte van borgstelling is een te

Sluiten