Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet leiden tot toewijzing eener op die schuld gegronde vordering, wanneer aan die erkentenis als bevrijdende daadzaak is toegevoegd, dat conform de erkende feiten gehandeld werd uit overmacht; dan toch is er eene onsplitsbare erkentenis en rust het zelfstandig bewijs der schuld op den eischer. — Hof 's-Gravenhage 29 December 1911; W. 9329.

1590. Wanneer wordt gevorderd schadevergoeding ter zake eener aanvaring en dan door den gedaagde wordt erkend het feit der aanvaring met bijvoeging van eenige beschouwingen, waaruit naar het oordeel van den gedaagde zou volgen, dat geen schuld bij hem aanwezig is, dan is dit geen onsplitsbaar aveu. —- Rechtb. Rotterdam 18 Maart 1912; W. 9465.

1591. Eene aan eene bekentenis toegevoegde beschouwing over het rechtskarakter eener bij die bekentenis erkende rechtshandeling, maakt die bekentenis niet onsplitsbaar. — H. R. 26 Januari 1912, concl. conf.; W. 9317; N. R. CCXX, 157 (met aanteek. van Prof. mr. E. M. Meijers in W. 9317.)

1592. De erkenning van den gesloten koop onder toevoeging dat bij de overeenkomst een bepaalde betalingsplaats werd aangewezen, is niet onsplitsbaar.

De toevoeging werkt niet bevrijdend omdat de betalingsplicht blijft bestaan, onafhankelijk van de plaats, waar hij moet worden vervuld. — Rechtb. Amsterdam 14 Juni 1912; W. 9407.

1593. De bekentenis van den beweerden vader „dat hij gedurende den conceptie-termijn vleeschelijke gemeenschap met de moeder heeft gehad, maar dat dit met meerderen het geval was", is onsplitsbaar. — Rechtb. Zutfen 19 October 1911 ; W. v. N. R. 2206; T. d. K.

V, 58. Anders Rechtb. Tiel s. d.; T. d. K. V, 67; Rechtb. Dordrecht 22 November 1911; T. d. K. V, 140.

Als Rechtb. Zutfen, Rechtb. Amsterdam 25 Maart 1912; T. d. K. V, 109.

1594. Mr. B. J. Zijlstra. Art 344a en vlg. B. W. en het onsplitsbaar aveu.

Naar aanleiding hiervan mr. H. J. Scholten in W. 9404.

1595. Wanneer een eischer stelt, dat tusschen hem en den gedaagde bestond eene arbeidsovereenkomst, waarbij zijn loon zou bestaan uit een vast weekgeld en een aandeel in de winst, door hem gesteld op ƒ 700.—, dan is des gedaagden erkentenis van die arbeidsovereenkomst onder toevoeging, dat het aandeel in de winst geen ƒ700.— doch slechts/380.— zou beloopen, onsplitsbaar. — Kantong. Rotterdam 13 Januari 1913; R. B. A. IV, 23 en 24.

1596. Wanneer op eene vordering tot teruggaaf van uitgeleende effecten wordt geantwoord: „ik heb die effecten wel ontvangen, maar niet ter leen, maar ter betaling van wat gij mij schuldig waart", dan is dit niet eene onsplitsbare bekentenis, maar eene eenvoudige ontkentenis. De Rechter zal dan ook de vordering als niet bewezen mogen toewijzen, wanneer tegenover dat verweer alleen wordt bewezen, dat de effecten niet ter betaling werden ontvangen. — H. R. 31 October 1913; W. v. N. R. 2294.

1597. Art. 1961 B. W. mist elke toepasselijkheid ten aanzien eener ontkenning, welke bovendien geene ontkenning van feiten is; het artikel moet echter ook op eene stilzwijgende erkenning toepasselijk worden geacht, zoodat daarvan geen gebruik mag worden gemaakt zonder tevens het bevrijdend verweer van den schuldenaar als bewezen aan te

Sluiten