Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1615. Een partij, die weigert een haar opgelegden suppletoiren eed uit te zweren, kan niet worden toegelaten tot getuigenbewijs en is evenmin bevoegd aan de tegenpartij een decisoiren eed op te dragen. — Rechtb. Amsterdam 24 April 1911; W. 9283.

1616. Ingeval aan een rechtspersoon een suppletoire eed wordt opgedragen, moet deze worden uitgezworen door haar vertegenwoordigenden bestuurder. —

H. R. 27 Juni 1913; W. 9560; W.' v. N. R. 2280.

Art. 1978.

1617. De wet vordert niet, dat een geschrift moet zijn onderteekend om voldoende bewijs op te leveren tot oplegging van een aanvullenden eed. — Hof Amsterdam 14 April 1913; W. 9555.

Art. 1979.

1618. Noch de wet, noch de aard van het rechtsmiddel verbindt aan de

toelaatbaarheid van den schattingseed de voorwaarde, dat hij die hem aflegt, stellige wetenschap bezit omtrent het vast te stellen cijfer; deze eed kan ook toepassing vinden, wanneer de partij, aan wie hij. wordt opgelegd, het bedrag slechts bij benadering of schatting kan aangeven. — Hof Amsterdam 19 April 1912; W. 9401.

Art. 1982.

1619. Nadat de partij, die een decisoiren eed had opgedragen, de partij aan wie die eed daarna bij vonnis was opgelegd, heeft opgeroepen om den eed ter terechtzitting uit te zweren, behoeft de laatstbedoelde partij niet harerzijds de eerstbedoelde partij op te roepen om bij

de eedsaflegging tegenwoordig te zijn. Mitsdien kan bij nalating van zoodanige oproeping, de partij waaraan de eed was opgedragen, na uitzwering daarvan, niet op grond van art. 50 al. 2 Rv geacht worden den eed te hebben geweigerd. — Kantong. Roermond 13 April 1912; W. 9347.

Art. 2000.

1620. Het gedurende eenige jaren betalen van grondlasten en het eenmaal betalen van successierechten ter zake

van den eigendom van een huis, stoort niet in het bezit van het huis dooreen ander en belet dus ook dien ander niet om te zijner tijd beroep te doen op de verkrijging van dat huis door verjaring. — Hof 's-Gravenhage 6 October 1913; W. v. N. R. 2292.

Art. 2004.

1621. Vorderingen van publiekrechtelijken aard zijn niet onderworpen aan de verjaring van art. 2004 B. W. — Hof Amsterdam 11 April 1913 ; W. 9556.

1622. Wanneer tegenover de revindicatie van een huis beroep wordt gedaan op de verjaring der actie tot terugvordering van dat huis, dan doet het niet ter zake of de gedaagden te goeder of te kwader trouw dat huis onder zich hebben gehouden. — Hof's-Gravenhage 6 October 1913; W. v. N. R. 2292,

Art. 2014.

1623. Aan het woord „verliezen" in art. 2014 B. W. moet de beteekenis worden gehecht, niet van „zoek raken'', maar van „kwijt raken", zoodat er onder valt elk verlies van bezit tegen den wil des bezitters. — Hof 's-Hertogenbosch 10 December 1912; W. 9435.

Sluiten