Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maximumloonen werd uitgevaardigd, iets dat wij in onzen tijd van uitsluitend minimumloonen niet kennen.

Zie hierover „The black death of 1348" — Abbot Gaskett en Pierson, Verspreide Economische geschriften III 1348.

Verder bespreekt in het Koloniaal Weekblad van 1908 de heer Van Assen toestanden bij de Dajaks, en hoewel volstrekt niet bedoeld is een theoretische verklaring hiervan te geven, komt de schrijver tot een conclusie die volmaakt overeenstemt met Ricardo's leer.

Worden dus het ontstaan van de pachten en de verschillen in de pacht het best door die leer verklaard, afdoend is de verklaring niet.

2®. Nog anderen hebben zich tegen de leer geopponeerd; zoo de Duitsch0ostenrijker Menger, die beweert: als alle gronden nu eens even vruchtbaar waren (afgescheiden van de ligging) zou de theorie van Ricardo het ontstaan van de pachtwaarde niet kunnen verklaren. Pierson zegt daartegen: zoo'n geval is denkbaar, maar komt in de praktijk niet voor. Deze tegenwerping is onjuist; als men een verschijnsel wil verklaren, kan men zoo iets niet aanvoeren; is een verklaring theoretisch juist, dan is ze volledig. De opmerking van Menger is dus niet onjuist. Voorts had Menger nog de opmerking: de voorstelling van Ricardo alsof alleen de vruchtbaarder gronden pachtwaarde hebben, en de slechtste niet, is onjuist. Ook de slechtste gronden brengen pacht op. Deze opmerking tracht Pierson te weerleggen. Pierson zegt n.1. dat slechts schijnbaar voor het slechtste land betaald wordt, omdat de pacht omgeslagen wordt over een complex van slechte en goede gronden, zoodat de goede iets minder betalen zouden. Toch geeft Pierson op een andere plaats toe dat het onjuist is als zou geen pacht voor de slechtste grond betaald worden (pag. 127, Leerboek).

Welke is nu de verklaring voor dit onverklaarde deel der leer van Ricardo?

Men moet daarvoor teruggaan tot de eenvoudige voorstelling, dat grond alleen waarde heeft als er gebrek aan is. Zoo kan in sommige streken historisch aangegeven worden wanneer men met het betalen van pacht is begonnen. Dat is als er zoo weinig land overgebleven is, dat de vrije beschikking daarover is verdwenen en men voor het bezit van een stuk grond moet terechtkomen bij iemand die rechtens, d.i. volgens de bestaande rechtsorde daarover wèl beschikt. Dit kan nu zijn een bepaalde persoon of de Regeering. Dit is het gronddenkbeeld weer, dat de geheele waardeleer beheerscht, dat, als er niet voldoende goederen beschikbaar zijn, die goederen een in zekere geldsom uitgedrukte waarde krijgen.

In het eigendomsrecht ligt dus hierbij het motief voor de uitkeering tot het verkrijgen van de beschikking over dien grond. De verschillen in de uitkeering echter moeten teruggebracht worden tot verschillen in ligging, vruchtbaarheid enz.

Deze zaak nu is van meer dan theoretisch belang. Men kan toch onderscheiden relatieve en absolute grondrente. Onder relatieve grondrente verstaat men dan (zie boven) het verschil in waarde tusschen verschillende gronden (bouwterrein meer of minder in het centrum der stad); onder absolute grondrente de vergoeding voor het uitsluitend beschikkings recht aan A of B gegeven en tegenover andere leden van de samenleving uitgeoefend en dat gevraagd wordt ook voor de minst vruchtbare gronden. Niet, dat dit verschil daarom in alle pachtcontracten tot uitdrukking komt; soms geschiedt de afstand van grond aan een gebruiker

4

De absolute grondrente is gebaseerd op het eigendomsrecht van den grond, de relatieve op de verschillen in ligging, vruchtbaarheid enz.; alleen voor de relatieve grondrente is de leer van Ricardo eene verklaring.

Sluiten