Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een der bezwaren verbonden aan de uitgifte in erfpacht in Amsterdam was, dat er een groote fout in het begin gemaakt werd. Er werden nl. gronden uitgegeven tegen een jaarlijkschen canon groot zeker percentage van de grondwaarde, met de verplichting daarop een bepaald soort huizen te bouwen; en na zekere termijn zouden die gronden aan de gemeente terugvallen zonder schadevergoeding. Men meende nl.:

a. dat de gemeente niet de risico mocht loopen plotseling voor belangrijke bedragen bebouwde eigendommen te moeten overnemen;

b. dat de gebouwde huizen na zooveel jaar toch krotten zouden geworden zijn naar den dan aan te leggen modernen maatstaf; en

c. de bouwer maar moest amortiseeren, zoodat hij na 75 jaar zijn kapitaal terug heeft.

Deze argumenten zijn niet steekhoudend:

a. het kan geen bezwaar zijn, die verplichting huizen over te nemen; de gemeente zou daarvoor voorschot kunnen nemen; bovendien kan men de terugname zóó regelen, dat niet alle contracten op één tijdstip afloopen en eindelijk krijgt men toch tegenwaarde voor de uitgaaf en in een nieuwe uitgifte de noodige vergoeding;

b. als dit waar is dan vermindert toch ook de waarde die moet vergoed worden aan de eigenaars;

c. hierbij vergeet men le. dat van niet altijd kapitaalkrachtige erfpachters te veel economisch inzicht verlangd wordt, nl. het apart leggen van een deel van de brutohuur om daaruit rente op rente te reserveeren. Meestal redeneert de bouwondernemer: „après moi le déluge", maar zelfs 2®. als hij economisch denkt, dan kan de bedoeling niet bereikt worden met een behoorlijke rente van zijn geld. Stel dat hij krijgt f 100.000 aan huur en f 20.000 op zijde legt aan effecten. Dit gaat goed in het eerste jaar. Het volgende jaar moet hij beleggen de stel f 800 aan rente die hij van zijn effecten krijgt en reeds de volgende belegging in het derde jaar is niet meer voldoende. Volgens de

onvoordeelig voor de stad was. Door de stadsuitbreiding toch werd de oprichting van openbare gebouwen in de nieuwe stadsgedeelten waar grond verkocht was, noodzakelijk en als nu de eenmaal verkochte grond weer moest ingekocht worden, moest er veel te veel voor betaald worden. Vandaar dat men begreep de noodzakelijkheid van reserveering. Nu vroeg Amsterdam oorspronkelijk een vaste canon, die eerst veranderd werd na afloop van den termijn van 75 jaar. Dit was voortdurende of doorloopende erfpacht waarbij, tenzij de erfpachter er van afzag, of de termijn afgeloopen was, de canon herzien wordt. Hierbij komen de voordeelen van de waardevermeerdering van den grond aan den erfpachter staande het contract, doch op het eind van het contract aan de gemeente.

Zaandam nu wilde ook van de tusschentijdsche waardevermeerdering van den grond genieten en decreteerde daarom dat na 25 jaar telkens verhooging van den canon zou geschieden. Deze regeling is: a. onrechtvaardig, want er werd geen overleg met de erfpachters gepleegd maar een eenzijdige bevoegdheid aan den gemeenteraad voorbehouden tot verhooging van de verplichting, waartegen de andere partij geen bezwaren kon inbrengen en b. onpractisch, omdat deze instelling nog niet was ingeburgerd en daarom smakelijk gemaakt diende te worden, anders zouden de bouwondernemers liever eigendom boven erfpacht verkiezen, dus den grond koopen van andere grondeigenaren en niet van de gemeente. Het ware anders, als alle grond in handen der gemeente ware geweest, doch dit is nergens, in geen enkele gemeente het geval. De erfpachtuitgifte in Zaandam is dan ook niet, die in Amsterdam wèl geslaagd.

Sluiten