Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maatstaf voor een rationeele grondhuurprijs — Gemengde commissies ter vaststelling hiervan.

fabrieken zelf een verzameling cijfers betreffende dit onderwerp aangelegd, die misschien niet volkomen betrouwbaar zijn, maar te gebruiken en, mits men ze nu en dan controleert, na eenigen tijd zeker juiste gegevens zouden kunnen opleveren. In allen gevalle zou een betere groepeering van de van gouvernementswege verstrekte cijfers, weliswaar misschien meer, maar in allen gevalle nuttiger werk geven.

De cijfers verzameld voor het Suikercongres vertoonen voor de grondhuurprijzen in de jaren 1901—1910 een onafgebroken stijging. Waaraan die stijging te danken is, kan niet nagegaan worden.

Evenmin is het mogelijk een van den heer Benjamins in 1908, pag. 117 „Tijdschrift voor Nijverheid en Landbouw" afkomstige bewering te controleeren. Daarin wordt opgemerkt dat er bij directe verhuur, d. i. t. a. v. een direct te aanvaarden areaal f 50.— a f 60.— grondhuur wordt betaald, doch bij verhuur twee jaar eerder met een voorschot, f 20.— a f 25.—, dus een reductie die veel belangrijker is dan het verlies aan rente dat zou kunnen voortspruiten uit het verleenen van dit voorschot door den fabrikant. Hieruit zou men kunnen besluiten, dat het verleenen van voorschot noodzakelijk is, niet alleen voor de zekerheid van het bedrijf, zooals de fabrikanten opgeven, maar omdat het leidt tot een voordeeliger transactie, want het drukt de prijs. Daarom zijn de fabrikanten vermoedelijk zoo gekant tegen afschaffing van het voorschottenstelsel. In allen gevalle is niet heel duidelijk, waarom zij juist die bijzondere positie verplicht zijn in te nemen. Inlanders onder elkaar berekenen in zulke gevallen nog lager prijzen, n.1. f 20.— a f 25.— bij directe en ƒ12.50 bij termijnhuur; en dus komt die reductie niet alleen bij de suikercultuur voor.

In allen gevalle krijgt men den indruk, dat de Inlander niet verwerft wat hij moet hebben, dat door de suikerfabrikanten geen rekening gehouden wordt met de opbrengst van den grond, maar dat zij eenzijdig vaststellen, wat zij aan grondhuur geven willen en dit hun vrijwel lukt. Dit kan wel eens met stijging van de prijzen gepaard gaan. Soms houden de Inlanders den grond vast, (Djombang) om de prijzen op te jagen, en dan ontbreekt het niet aan klachten van de andere partij, maar van een duurzame stijging is daarbij geen sprake; die abnormale stijgingen worden later gereduceerd. Als de fabrikanten voor de directe beschikking fbO.—, f 60.—, geven kunnen, dan is dat een bewijs dat zij bij zulke prijzen nog met winst kunnen produceeren en is een druk op den prijs tot ƒ20 — a ƒ 30.— te beschouwen als uitbuiting; zoodat het verleenen van voorschot niet uitsluitend mag worden beschouwd als een middel om bedrijfszekerheid te krijgen. Intusschen, cijfers zijn er niet, die aangeven kunnen of er inderdaad uitbuiting plaats heeft of niet, terwijl daarentegen van de zijde der fabrikanten steeds wordt geprotesteerd tegen een verbod van voorschot-geven, zelfs tegen bekorting van den termijn van het voorschot.

Deze kwestie is nog in anderen zin te bespreken. Is er een maatstaf tot beoordeeling van de hoegrootheid van den te vorderen grondhuur? Ja, die maatstaf is, dat de Inlander niet minder krijgt dan hij zelf uit den grond zou halen met zijn eigen cultuurwijze. Dit is behandeld door Mr. Tasman in het Indisch Genootschap, vergadering Januari 1911.

Als men meent, dat de Regeering in deze materie heeft in te grijpen, moet

Sluiten