Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II. Dan kan men onderscheiden nominaal en reëel loon. In eene maatschappij als de onze, die eene geldhuishouding is, wordt het loon in geld vastgesteld d.w.z. het nominale loon. Het reëele loon wordt daaruit niet gekend.

Als men de loonen der typografen vergelijkt met de loonen van lieden uit het bouwvak, dan blijken die der eerste overal lager te zijn dan de andere. Dit komt vooral door den seizoenarbeid der laatsten; de bouwvakarbeiders kennen een meer of minder langdurige periode van werkeloosheid, terwijl de werkeloosheid bij typografen slechts minimaal is. Vandaar dat de verzekering tegen werkeloosheid bij dezen, enkele centen bedraagt; bij arbeiders in het bouwvak echter 10 en 12 centen. Men moet dus voor deze categoriën van arbeiders vergelijken het jaarloon, niet het weekloon.

De bovengemaakte tegenstelling is van groote beteekenis voor de kwestie van de aanwending van het loon, (huisvesting, kleeding, voeding). Het loon van de Engelsche arbeiders is hooger dan dat van de Duitsche. Ook de Amerikaansche en Australische arbeiders genieten meer loon dan de Europeesche. In Australië is een dagloon van f 4.— a f 5.— gewoon.

Dit verschil in loonen is een gevolg van het verschil in levensstandaard. In het reëele loon is zooveel verschil niet. Dit wordt zoo vaak vergeten.

Zoo krijgen onze spoorwegconducteurs voor hun periodiek verblijf in Emmerik een toelage, omdat door de hooge invoerrechten de kosten van de levensbehoeften in Duitscliland kunstmatig zijn opgedreven, en die conducteurs met hun salaris niet zouden toekomen.

Zie — No. 45. — „Geschriften van de vereeniging voor het vrije ruilverkeer".

Zoo ziet men de Nederlandsche arbeiders uit Twente naar Gronau gaan, om er te werken in de fabrieken, maar zij verteren het daar in Duitschland ontvangen hoogere loon niet daar, maar in Nederland, waar zij goedkooper leven kunnen; zelfs zóó goedkoop, dat dit voordeel meer dan opweegt tegen het tijdverlies en de spoorkosten.

Men moet ook bij de vergelijking van loonen in verschillende tijden met dit reëele loon rekening houden.

Om dit nader te illustreeren het volgende: In Amerika is eens voor 106 artikelen opgenomen welke de prijs daarvan was, in verschillende jaren. Zij bedroeg in 1892 ruim $ 8.—; in 1896 $ 5.70; in 1908 I 7.72; in 1909 Jan. $ 8.20 en in Augustus $ 8.50. Zoodat er in 1909 reeds meer voor werd betaald dan in 1892.

Uit de jaarcijfers van de gemeente Amsterdam blijkt, dat de loonen van 1850 tot het einde van de 19e eeuw nominaal gestegen zijn met 50—70 % terwijl die stijging vooral sedert 1875 nog sterker is, wat betreft de reëele loonen.

Thans heeft vooral sedert 1909 de stijging in de nominale loonen vrijwel opgehouden, terwijl daarmee gepaard ging een stijging van de prijzen der levensbehoeften, zoodat de reëele loonen veeleer zijn gedaald. Dit dalend niveau van den levensstandaard is een gevolg van de grootere productiekosten en de toename der bevolking. Men schrijft die daling ten onrechte toe uitsluitend aan de kapitalistische ontwikkeling van de wereld. De trusts hebben er ongetwijfeld invloed op uitgeoefend, maar groot was die invloed niet. Immers, bij het landbouwbedrijf vindt men geen trusts, en dat heeft van genoemde verschijnselen niet minder den terugslag ondervonden.

Sluiten