Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der bedrijven. De meerderheid wordt uitgeoefend onder den invloed van den concurrentiestrijd van verschillende ondernemers. Daarbij treedt het commercieel element, de bevordering van den afzet, op den voorgrond. En het gebied van dien afzet wordt hoe langer hoe grooter. De locale productie toch treedt bij de wereldproductie op den achtergrond; zelfs voor het kleinbedrijf. Xeemt men bijv. een kruidenierswinkel, dan staat men versteld over de groote lijst van artikelen, die niet binnenslands worden voortgebracht, dus van buiten moeten worden betrokken. Vandaar bijv. dat bij een gebrek aan pruimen een prijsstijging t. a. v. dat artikel intreedt, omdat het niet door een inlandsch product is te vervangen.

Men moet dus om goedkoop te kunnen inkoopen zorgen de relaties ook met het buitenland te onderhouden en op de hoogte blijven van de prijsbeweging in het buitenland. En dit is ook voor de productie noodig, waarvoor steeds afzet moet worden gevonden. Men zou zeggen, wanneer, als in Nederland de bevolking toeneemt en er dus meer behoeften komen, men vanzelf meer afzet vindt; maar het eigenaardige van de tegenwoordige economische organisatie is, dat men algemeen vindt concentratie; concentratie in dezen zin, dat bepaalde industrieën zich in een bepaald land concentreeren, met andere woorden in de richting van specialisatie. Zie pag. 93,1® deel. Men bepaalt zich tot wat met minder moeite kan worden geproduceerd, d. w. z. niet met minder moeite in absoluten zin, maar men beperkt zich tot die bepaalde bedrijven, die in dat land tengevolge van de ligging e. a. factoren meer dan normaal voordeel afwerpen. Zoo beperkt Engeland zich tot de textielnijverheid en mijnarbeid enz.

Stel dat het land A voor de productie van een hoeveelheid van artikel a noodig heeft 100 dagen, voor 6 150 dagen ') en land B voor a 200, voor 6 175, dan zou men kunnen meenen dat A verstandig doet c en J zelf te produceeren, want dit kost het 250 werkdagen samen, terwijl het produceert a met de helft van het aantal dagen en 6 met 25 dagen minder dan het land B. Toch kan het voor A voordeeliger zijn alleen 2a te produceeren. Als A met 200 dagen 2a produceert en la afstaat in ruil voor 16 van B, dan heeft het 200 dagen gegeven en krijgt terug een productie groot 250 dagen m. a. w. heeft 50 dagen winst. En als B omgekeerd 26 produceert, die 350 dagen kosten en de helft van 26 in ruil afstaat voor het product a, dan is het resultaat, dat B 350 arbeidsdagen moet geven en terugkrijgt 375 dagen m. a. w. 25 dagen arbeid vrij krijgt waarin in andere behoeften kan worden voorzien. In beide landen zal aldus voordeel behaald zijn. En het blijkt dus mogelijk voordeelig te ruilen tusschen die twee landen met ongelijke productiemoeite.

Dit bepaalt zich niet tot één artikel. Ieder land produceert een overvloed van artikelen waarvoor het gunstiger gelegen is dan andere landen en krijgt in rnil artikelen waarvoor het minder gunstig gelegen is. Nederland voert producten van veeteelt en tuinbouw uit, maar artikelen van landbouw in. Waarom? Omdat de boeren er meer voordeel in zien zich op veeteelt toe te leggen die beter uitkomsten geeft.

Dit verschijnsel heeft zich over de geheele wereld geopenbaard. Daardoor

') Men zou nog meer artikelen kunnen noemen.

Sluiten