Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aangewezen, terwijl daarentegen die welke daartoe wèl zijn aangewezen achterop raken. En, waar hierbij een verschil zelfs van enkele onderdeelen van centen van invloed zijn kan, is zulk eene verplaatsing gevaarlijk.

Men dient zich ter dege rekenschap te geven van de voorwaarden en beteekenis van de te verleenen protectie. Omdat wij op verschillende artikelen accijnzen hebben, is het wenschelijk van diezelfde artikelen bij invoer van buiten een recht te heffen dat minstens even hoog is als de accijns, teneinde de binnenlandsche producenten tegenover het buitenland niet in ongunstiger conditie te brengen. Het is verkeerd dat naast onze geslacht-accijns geen invoerrecht op geslacht vleesch wordt geheven. Intusschen, dit is eene uitzondering, in de meeste gevallen is in dergelijke gevallen ruim voorzien d. m. v. een hooger invoerrecht van het geïmporteerde artikel. Hoe vreemd dit kan werken, blijkt uit de belasting op het zout. Per KG. zout wordt 3 cent accijns en 4 cent ') invoerrecht geheven. Dit verschil in prijs bezorgde de binnenlandsche zoutziederijen een extra voordeel van 4 ton. Wat beteekent dit nu? Dat de binnenlandsche zoutconsument 4 ton meer betaalt dan noodzakelyk is, en dat er 46 ziederijen met 357 arbeiders in het leven worden gehouden die misschien toch wel levensvatbaar zouden geweest zijn. Zoo iets zou bij het verleenen van een subsidie niet zijn gebeurd.

Het is niet zoo heel gemakkelijk, langs den weg van protectionistische maatregelen het maatschappelijk inkomen te vergrooten. En daarbij is niet de vraag of men door die maatregelen in staat zal zijn nieuwe industrieën te vestigen, dat is een bijzaak, maar of men kan geraken tot toenemende maatschappelijke productie. Wanneer de regeering eene onderneming een subsidie verleent en haar daardoor levensvatbaar maakt, krijgt een aantal menschen arbeid, dus voordeel. Wanneer echter invoerrechten worden geheven, is het hierdoor verkregen voordeel duidelijk doch de daarmede verbonden nadeelen voor anderen lang niet zoo zichtbaar, juist omdat zij over een groot aantal personen worden verdeeld en dus voor ieder hunner slechts klein zijn.

"V erleening van subsidie eischt nagaan van de levensvatbaarheid van een industrie. En bij de beoordeeling van die levensvatbaarheid moeten wij dan terugkomen op de vier vereischten voor de vestiging van elke nieuwe industrie d. z. grond, kapitaal, ondernemers en arbeiders.

I. Grond. De behoefte aan grond als vestigingsplaats is betrekkelijk zóó gering, dat deze geen bezwaren behoeft op te leveren.

H. Kapitaal. Hiervoor geldt hetzelfde als voor den grond. Kapitaal is internationaal genoeg, om daarheen te vloeien waar het gevraagd wordt.

III. Ondernemers. Hieraan is gebrek; er loopen maar niet zooveel geschikte leiders rond, die maar op emplooi zouden wachten.

Arbeiders. Dit is de grootste moeielijkheid. Er zijn geen geschoolde arbeiders genoeg. Alle verslagen van Handel en Nijverheid en van de Kamers van Koophandel klagen over dit gebrek. 2) Daarom zijn pogingen tot verbetering

') Ten rechte 3>7 cent, omdat 8 % tarra wordt afgetrokken; eene verouderde berekening die op zichzelf al veel te hoog is.

2) Daarbij heeft men niet zoozeer het oog op de arbeiders in het bouwvak als wel op

die m bedrijven welke de mededinging van het buitenland te vreezen hebben.

Het subsidie eenige middel om de levensvatbaarheid van een industrie te beproeven. — Wanneer de overheid moet subsidieeren. — Verkeerde subsidieering.

Sluiten