Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De hut van den Germaan, waarbij zich nog vaak een schuurtje voor het vee en overdekte kuilen voor den wintervoorraad bevonden, was door een houten afschutting omringd. Ze lag te midden der akkers, waarop de eigenaar zijn weinige gewassen teelde. Dat alles was het persoonlijk eigendom van den Germaan; het behoorde hem alleen. Weiland en bosch had hij niet in eigen bezit; die behoorden aan velen gemeenschappelijk.

Verscheiden hoeven met bijbehoorende akkers en de omgelegen weilanden en bosschen vormden te zamen een marke; de bewoners er van heetten markegenooten. De markegenooten lieten hun vee grazen in de gemeenschappelijke weide; ze jaagden en hakten hout in de gemeenschappelijke bosschen.

In sommige wouden mocht evenwel niet gejaagd of gehakt worden. Deze waren heilig; ze waren de tempels, de kerken der Germanen. Daar kwamen ze op sommige tijden bijeen, om hun goden te vereeren. Van God en Jezus wisten ze niet; ze geloofden aan verscheiden goden. De voornaamste daarvan was Wodan, de opperheer var alles, die op zijn wit paard door de lucht reed. Ondor hem stonden Tius, de oorlogsgod, Donar, de dondargod, die bij onweer op een ratelenden wagen door de wolken reed en dan zijn zwaren hamer wierp, Ostra, de godin der lente, en andere. Onze Dinsdag, Woensdag en Donderdag zijn naar Tius, Wodan en Donar genoemd.

De Germanen brachten hun goden offers. Op een open plek in het heilig woud kwamen de mannen bijeen. Dan werd een stier of een paard geslacht; de kop werd aan een dichtbijstaanden eik opgehangen, de huid en de ingewanden werden ter eere van den god verbrand en het vleesch door de vergaderde mannen opgegeten.

Sluiten