Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Les 17. De wonderbare spijziging; Jezus wandelend op de zee; de Syro-Fenicische vrouw.

Johannes 6:1—21; Marcus 7:24—30.

Na dezen vertrok Jezus over de zee van Galilea en hem volgde eene groote schare, omdat zij zijne teekenen zagen, welke hij deed aan de kranken. En Jezus ging op een berg en zat daar met zijne discipelen. Toen hij nu zijne oogen ophief zag hij de schare tot zich naderen. En hij, hen ziende, had medelijden met hen, want zij waren als schapen, die geen herder hebben; en, hij begon hun vele dingen te leeren. Doch, als het avond werd, rieden de discipelen hem de schare te laten gaan om spijs te koopen in de nabij gelegen dorpen. Jezus echter zeide: „Geeft gij hun te eten." Zij hadden evenwel slechts 5 brooden en 2 visschen. Toch beval de Heere hun de schare te laten nederzitten. Daarna nam hij de 5 brooden en 2 visschen, zag opwaarts, dankte en gaf ze den discipelen en dezen gaven ze aan de schare. En zij aten allen en werden verzadigd. Ook bleven er 12 manden vol brokken over. En die gegeten hadden waren 5000. [Later heeft de Heere nog eens 4000 mannen, behalve de vrouwen en kinderen, gevoed met 7 brooden en enkele visschen].

Hierna liet Jezus de discipelen wegvaren, terwijl hij zelf achter bleef om te bidden. Maar, in den nacht, als de wind tegen was, kwam hij tot hen, wandelend over de zee. En zij, hem ziende, meenden, dat het een spooksel was en schreeuwden zeer. Doch hij stelde hen gerust en zeide: „Zijt welgemoed: Ik ben het; vreest niet." Daarna klom hij in het schip en de wind stilde. En de jongeren ontzetten zich.

Aan land gekomen kwamen weder vele zieken tot Jezus en hij genas hen.

Maar, niet alleen onder Israël ook onder de heidenen deed Jezus zijne wonderen. Zoo was hij eens nabij Tyrus en Sidon (2 steden in Fenicië). Daar bad hem eene vrouw om hulp voor haar van den duivel bezeten kind. Eerst beproefde de Heere haar geloof en antwoordde haar niet. Maar, zij bleef aanhouden. Toen

Sluiten