Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Les 2. De geboorte van den Heere Jezus.

Luk. 2 : 1—20.

Door de profeten had de Heere laten verkonden, dat de Zaligmaker te Bethlehem zou worden geboren (Micha 5 : 1). Maria woonde echter te Nazareth. God gebruikte nu den heidenschen keizer van het Romeinsche rijk: Augustus, om Zijn woord te vervullen. Deze beval n. 1., dat de geheele wereld zou worden beschreven (geteld). Ook de Joden waren aan hem onderworpen en vielen dus onder dit gebod. Allen moesten daartoe gaan naar de plaats, vanwaar hun geslacht afkomstig was. Zoo reisden Jozef en Maria naar Bethlehem, want zij waren uit het geslacht van David.

Toen zij daar kwamen was het stadje vol vreemdelingen, zoodat er voor hen geen plaats meer was in de herberg.

Een stal werd hun nu als verblijfplaats aangewezen. Daar werd Gods belofte vervuld en het kind geboren van hetwelk de engel gezegd had: „Deze zal groot zijn en de zoon des Allerhoogsten genaamd worden."

Uiterlijk was er van de heerlijkheid van dit kind niets te zien, arm als het daar lag in doeken gewonden en in eene kribbe. Toch zorgde God, dat er reeds in denzelfden nacht van Jezus' heerlijkheid werd getuigd. In de velden bij Bethlehem waren herders, die hunne kudden bewaakten. Plotseling verscheen hun een engel, die tot hen zeide: „Vreest niet, want zie, ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal, namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heere, in de stad Davids. En dit zal u het teeken zijn: gij zult het kindeke vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe!" Aanstonds daarna verscheen er eene menigte andere engelen en allen te zamen begonnen God te prijzen en te zingen: „Eere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de men-

Sluiten