Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der schare te ontkomen en vandaar prediken. Die schuit behoorde aan Petrus en juist had hij haar verlaten. Want, al waren Petrus en Andreas, Johannes en Jacobus reeds discipelen van den Heiland, toch oefenden zij nog hun oud bedrijf, het visschen, uit.

Als Jezus nu zijn rede geeindigd had beval hij aan Petrus wat verder van het land te gaan en de netten uit te werpen. Deze antwoordde: „Meester, wij hebben den geheelen nacht gearbeid doch niets gevangen; maar op uw wooi d zal ik het net uitwerpen." En — Petrus' gehoorzaamheid werd bekroond met zulk een rijke vangst, dat zijn net scheurde en zijne vrienden met een ander schip hem moesten helpen. Beide schepen werden toen zóó vol, dat zij bijna zonken. Toen viel Petrus voor Jezus op de knieën en zeide: „Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch." Doch Jezus zeide: „Vrees niet; van nu aan zult gij menschen vangen." En als zij, Petrus, Johannes en Jacobus, de schepen aan land gestuurd hadden verlieten zij alles en volgden Jezus.

Ook riep Jezus Levi, den tollenaar (ontvanger van de belasting) en ook deze verliet alles en volgde hem.

Te Kapernaum en op zijne tochten door Galilea kwamen ook vele kranken tot Jezus om genezing te vragen. Zoogenas hij in Kapernaums synagoge een mensch met een onreinen geest, bezeten van den duivel. Ook kwam een melaatsche, die tot hem zeide: „Heere, zoo gij wilt, gij kunt mij reinigen." Toen strekte Jezus de hand uit, raakte hem aan en sprak: „lk wil word gereinigd. En terstond

was de man genezen.

Een ander maal predikte Jezus in een huis, toen eenige mannen een geraakte (verlamde) tot hem wilden brengen. Door de menigte konden zij echter niet binnen komen. Toen klommen zij op het dak, openden het en lieten den zieke op zijn bed voor Jezus neder. En hij, ziende hun geloof,

Sluiten