Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wie gingen met Jezus in het huis?

Wat zeide Jezus tot de doode?

Tekst: Mattheus 14:36b. Leeren: Psalm 77 : 7; Gezang 28 : 5.

Les 17. De wonderbare spijziging; Jezus wandelend op de zee; de Syro-Fenicische vrouw.

Marcus 6 : 30—52; 7 : 24—30.

Jezus had zijne apostelen uitgezonden om in zijn naam te prediken, kranken te genezen en booze geesten uit te werpen. Zij doorreisden Galilea en keerden toen terug om hem hun wedervaren te vertellen. Toen voer Jezus met hen naar eene woeste plaats om alleen te zijn. Zoodra de schare dit bemerkte volgde zij hem echter. En hij, hen ziende, had medelijden met hen, want zij waren als schapen, die geen herder hebben en hij begon hun vele dingen te leeren. Als het nu avond werd, rieden de discipelen hem de schare te laten gaan om spijs te koopen in de nabij gelegen dorpen. Maar Jezus zeide: „Geeft gij hun te eten." Zij hadden evenwel slechts 5 brooden en 2 visschen. Toch beval de iïeere hun de schare te laten nederzitten. Toen nam hij de 5 brooden en 2 visschen, zag opwaarts, dankte en gaf ze aan de discipelen en dezen gaven ze aan de schare. En zij aten allen en werden verzadigd. Ook bleven er 12 manden vol brokken over. En die gegeten hadden waren 5000. [Later heeft de Heere nog eens 4000 mannen behalve de vrouwen en kinderen gevoed met 7 brooden en enkele visschen].

Hierna liet Jezus de discipelen wegvaren, terwijl hij zelf achter bleef om te bidden. Maar in den nacht, als de wind tegen was, kwam hij tot hen, wandelend over de zee. En zij, hem ziende, meenden, dat het een spooksel was en

Sluiten