Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gegaard op onderlingen afstand van ongeveer 1'/2 of 2 voet Rl. Vervolgens wordt de tusschen de rijen ontbloote grond behakt, eerst in grove kluiten, die later fijn gemaakt worden. Twee of drie dagen vóór het uitpooten worden er op afstanden van ongeveer 1 vt Rl. pootgaten gestoken, waarin men telkens niet meer dan een aardappel tegelijk uitpoot. Als plantmateriaal bezigt de bevolking knollen, die iets grooter zijn dan een middelmatig groote knikker, den omvang hebben van een okkernoot en waaruit zij de zoo normaal mogelijk ontwikkelde uitzoekt. Deze worden reeds aanstonds na den oogst voor dat doel afgezonderd en op eene zoo luchtig mogelijke plaats, hetzij binnenshuis dan wel onder een hieraan belendend afdak, op horden opbewaard, waar zij twee of drie maanden blijven en nu en dan worden omgewerkt, om broeiing en verrotting te voorkomen. In dien tusschentijd zijn deze pootknollen uitgeloopen. In dezen toestand noemt men ze in de soendalanden tjoemileuh. Terwijl zij bij den oogst niet meer dan f 0.75 tot f 1— per mannevracht zouden doen, worden zij thans met f 2 tot f 3— betaald. Deze pootknollen laat de inlandsche boer bij het uitplanten gaaf, slechts hier en daar gaat hij er in den laatsten tijd toe over, om die van voldoende grootte, als in Europa, eerst te versnijden. Even vóór de uitpooting worden deze stukken met asch behandeld. Hoewel het vertrouwen ten deze nog lang niet algemeen is, zoo mag toch verwacht worden, dat die behandeling der pootknollen wegens de vooral bij grootere aanplantingen niet geringe besparing aan plantmateriaal, gaandeweg wel algemeene toepassing zal vinden.

Denzelfden dag, soms ook wel een of twee dagen na uitpooting, wordt het padistroo, dat tusschen de plantrijen lag, hierover doch losjes verspreid. Volgens sommige landbouwers doet men dit, om de uitgeschoten jonge aardappelplantjes te beschutten tegen zonnewarmte. Anderen beschouwen het als een middel van bemesting, daar het stroo ongeveer tezelfder tijd vergaat als waarop de jonge aardappelplantjes het meeste voedsel noodig hebben. Weder anderen zijn van meening, dat het stroo tevens tot afwering strekt van rupsen e. a. dergelijke plagen, die, door

Sluiten