Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de middelmatige 30 tot 40; van de kleinste 40 tot 50 of 60 stuks in een mannevracht of tanding. Evenals bij aardappelen vormt zulk een mannevracht de eenheid bij verkoop aan wederopkoopers, die het product in het klein hetzij aan de deur dan wel op de passers verhandelen.

De inlandsche boer teelt geene andere uien dan de z.g. roode, witte of timoreesche en de knoflook.

Het gewas wordt niet alleen op tëgalgronden, doch ook op sawahs gekweekt, hier weder niet anders dan als palawidja. Aan losse min of meer zandige gronden wordt de voorkeur gegeven.

Zooals men weet, bevat een bol van 2 tot 3 of meer kleinere stukken, die in eene drie- of vierdubbele laag van vliesachtige buitenschillen tot één in elkander passend geheel zijn samengevat. Die stukken loopen van boven in een punt uit; zij zijn eenigszins gekromd en van buiten rond, terwijl zij van binnen — tengevolge van het tegen elkander gekneld groeien — langs twee zijden afgeplat zijn. Naar den vorm, die aan eenen hoek- of slagtand van verscheurende dieren herinnert, noemt de inlandsche boer elk zoo'n stuk een sihoeng.

Zij zijn het, die als plantmateriaal worden gebezigd.

Sawahs worden een paar dagen na den padioogst van het stroo en het onkruid gezuiverd, welke men soms wel, soms niet op het veld verbrandt. Wanneer de grond van nature voldoende los is, wordt hij maar ééns behakt, anders twee keer. Tëgalans pleegt men meermalen om te spitten, eerst in grove kluiten, die een of twee dagen later fijn gemaakt worden.

Vervolgens worden er bedden aangelegd van 1 /3 tot 1 voet hoogte en zoodanig, dat daartusschen één of anderhalve voet breede geulen overblijven, om langs te loopen en het regenwater af te voeren.

"Voor roode uien is elk bed 3 of 4 voet breed en wordt het met 4 of 6 rijen uien beplant, voor witte uien en knoflook niet breeder dan li tot 2 voet en plant men er één of hoogstens twee rijen op uit.

Sluiten