Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pref, in de Soen dalancien bawang kap of b. inggris genoemd, wordt mede op sawahs en tëgalans aangeplant, op de laatstgenoemde gronden meer dan op de eerste en toch gewoonlijk tot kleiner uitgestrektheden dan uien. Hier en daar beplant men er de kanten van terrassen mede, waarvan het midden bebouwd is met aardappelen of kool. De cultuur wordt doorgaans zoodanig gedreven, dat prei, tegelijk met andere gewassen aangeplant, bij deze als het ware slechts bijzaak blijft, op den achtergrond treedt. Het product is trouwens te goedkoop, dan dat er goede ruim loonende winsten op te maken zouden zijn en men aan de teelt daarvan wat meer uitbreiding geven zou.

De grond wordt op gelijke wijze bewerkt als voor beplanting met uien, alleen wordt hij zelden of niet tot bedden opgehoogd.

Men maakt onderscheid tusschen prei met wat dunneren stengel tot ongeveer potlooddikte met lichtgroen loof en die met zwaar ontwikkelden stengel tot duimdikte soms zwaarder, en met donkergroen dikwerf blauwachtig loof. De laatste variëteit wordt b. bakoeng genoemd.

Als plantmateriaal bezigt men de zijloten, waarvan men het loof vóór de uitplanting tot bij den vleeschigen stengel wegsnijdt. Na eene maand heeft zij nieuw frisch loof gevormd en begint de moederplant gaandeweg uit te stoelen. In de derde maand is zij oogstbaar en heeft elk plantje een aantal van 3 of 4 stengels gevormd, zelden meer. Bij de inzameling wordt de plant in haar geheel uitgetrokken en aan bossen gebonden. Het plantsoen wordt niet zooals bij menig ander gewas in haar geheel in eens afgeoogst, tenzij een opkooper de gansche aanplanting heeft opgekocht. Gewoonlijk zamelt de verbouwer er zooveel van in, als hij in één dag aan de naastbijzij nde passer of aan de waroengs denkt te gelde te kunnen maken. Dan wordt het gewas, om het frisch te houden, ook niet eerder dan den dag te voren ingezameld.

Evenmin als prei vormen ook de z. g. bladuien (b. daoen) zoomede de uit Japan ingevoerde lokijo (Allium Scorodoprasum L.) en koeljai (Allium uliginosun Don.) (sjalots,) bollen. Men plant ze aan voor het loof, dat als kruiderij wordt aangewend voor de bereiding

Sluiten