Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men plukt vrucht voor vrucht, doch wacht hiermede tot zij opengesprongen is. Na de inzameling droogt men haar twee of drie dagen in de zon, waarna men de buitenschil verwijdert. De vezels pluizen tijdens het drogen van zelf een weinig uit, doch worden, zonder van de zaadjes te zijn gezuiverd, verkocht. Aan den kooper wordt het overgelaten, het product van de pitjes te ontdoen en het tot garen te verwerken.

Hiertoe bedient men zich van zeer primitief ingerichte werktuigen.

Om de zaadjes te scheiden, wordt de kapas eerst gedurende twee of drie dagen een paar uren per dag in de zon gedroogd en zooveel mogelijk met de vingers geplozen (didoedoeti of didoedoetan). Daarna brengt men haar in een miniatuur houten wals, in de Soendalanden panghinesan genoemd. Deze bestaat uit twee kleine dicht bij elkander horizontaal geplaatste cylinders, waarvan de onderste van een handvat is voorzien, om hem in beweging te brengen. Terwijl de vezels aan den eènen kant tusschen de beide cylinders doorschieten, worden de zaadjes aan den anderen kant teruggehouden.

Nadat de aldus gezuiverde kapas weder een of twee dagen in de zon gedroogd is, tengevolge waarvan zij zich wederom van zelf uitzet, wordt zij geplozen. Het werktuig, daartoe gebezigd, bestaat uit een dun uitgesneden bamboeslatje van 60 tot 75 c.m. lengte, dat in boogvorm gespannen wordt gehouden middels een touwtje. Dit instrument, in het Javaansch woesoe, Soendaasch pëteng genoemd, houdt men met het touw tegen de in eenen mand verzamelde kapas aan. Door het touwtje telkens tusschen de vingers te nemen, er aan te trekken en het plotseling weder los te laten, springt het terug, maar neemt het bij het terugspringen ook vlokken watte meê.

De geplozen kapas wordt verder middels een spinnewiel (Jav. djantra, Soend. kintjir) tot garen gesponnen en dit tot strengen (Jav. toekël Soend. lawajan) gewonden. Het begin van eiken streng wordt doorgaans echter uit de hand gedraaid.

Zulk ruw garen van inlandsch fabrikaat noemt men kantelt.

Yoor het opwinden tot strengen maakt men van een houten

Meded. PI. LVIII.

Sluiten