Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De werkelijkheid is, dat behoudens enkele der meer genoemde als selderij, salada ajer en këtela, de eene inlandsche boer er zich wel, de andere weder niet aan houdt.

Een feit is het wijders, dat de bevolking en- met name bij het telen van padi over het algemeen te weinig mest aanwendt. Het moge al waar zijn, dat dit gewas o. a. langs kampoengranden, ter plaatse, waar buitensporig veel meststoffen e. a. afval aanslibben, bizonder goed groeit, vaak zwaar donker groen loof en buitengemeen krachtig ontwikkelde stengels vormt, echter ten koste van de vruchtendracht en met groote vatbaarheid voor legeren — de leering, dat ook hier overdaad schaadt, weten *de meeste landbouwers, zelfs zeer ervaren personen, er niet uit te putten. Eerder wordt het verschijnsel als een onwedersprekelijk bewijs aangevoerd, dat het gewas geen bemesting behoeft! haar zelfs niet hebben mag, dan dat zij op rationeele wijze dient toegepast.

Eerst wanneer de sawah dermate afgebouwd is, dat de opbrengst ondanks voldoenden watertoevoer, deugdelijk plantmateriaal en goed onderhoud gedaald is tot beneden het peil van middelmatigheid, beproeft de landbouwer bemesting, wordt hierin heil gezocht.

Inderdaad volstaat de bevolking ten aanzien van de cultuur van padi op sawahs hoofdzakelijk met hetgeen het bevloeiingswater uit de hoogere streken aan slib e. a. meststoffen aanvoert en wat het plantveld ter plaatse voor de grondbewerking aanbiedt aan achtergebleven stroo van den vorigen oogst zoomede aan sedert opgeschoten onkruid. Dit alles wordt — zooals meermalen aangeteekend — eerst neergeslagen of gesneden (dibabacl) en een paar dagen later ondergeploegd. Aan de inwerking van het toegevoerde irrigatiewater en de lucht wordt het overgelaten, al die plantendeelen in bruikbaren mest om te zetten.

Waar de inlandsche boer niet naar verkiezing over water beschikken kan, daar tracht hij de verwering in de hand te werken door het neêrgesneden onkruid en de padihalmen te verbranden.

Sluiten