Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar de visch op sawahs, gelijk opgemerkt, niet gevoederd wordt en er geen verdere zorgen aan verbonden zijn, dan dat het water tot voldoende hoeveelheid en zoo versch stroomend mogelijk toevloeie, zoo is de teelt al heel eenvoudig.

Toch heeft men ook hier met plagen en andere teleurstellingen te kampen.

Zoo treft men op elke sawah, die korteren of langeren tijd onder water is gezet, steeds bëloets een soort alen aan, die zich gaarne met jonge goudvisch voeden. Zelf worden zij door de bevolking gegeten. Men vangt ze door middel van miniatuur vischfuiken, posong genoemd, die eene lengte hebben van 25 tot 30 cM. bij eene middellijn aan den ingang, dus het breedste eind, van 7 tot 10 cM. In de fuik worden als lokaas pieren of wat zemelen gedaan. Men zet de posongs tegen het vallen van den avond hier en daar, liefst op de minst diepe plekjes, van het sawahvak en haalt ze den volgenden morgen vroeg op. Een gelukkige vangst levert van 3 tot 6 stuks bëloet per fuik op. Ook tijdens de grondbewerking worden er nog gevangen. De inlandsche boer houdt die dan zoo lang in een korfje of ben van eigenaardig gebroken vorm, welke hij aan de zijde aan een touwtje om het middel draagt of hij hangt ze aan een gespleten bamboes bij ritsen over den zonnehoed, waardoor zij langs den minst kostbaren weg tevens gedroogd worden.

Voorts zijn keujeups of landkrabben een zeer lastige plaag. Zij voeden zich wel niet met goudvisch, maar boren hier en daar gaten in de sawahdijkjes, waardoor lekken ontstaan en een deel van de visch ontsnappen kan.

Wijders baart een zware regenbui of een doorbraak in dam of leiding dikwerf groote teleurstelling. Het water loopt in de sawahs over en daarmede gaat zoo niet alles dan toch een groot deel van de visch te loor.

In de nabijheid der kampoengs dient er voor gewaakt, dat eenden en ganzen niet op de sawah komen, om de jonge visch te bemachtigen.

Later, tegen den tijd dat de visch groot genoeg is, om ge*

Sluiten